Het gebouw heeft lang leeg gestaan

Bestuur en leden van de Amsterdamsche Operette Amateurs Vereniging wilden wel. Hoewel de leidster van het ballet en de dirigent al vooraf hadden laten weten dat ze het wegens gewetensbezwaren zouden laten afweten, behoefde verder niets de opvoering van de operette Die Fledermaus op zondag 29 september 1946 in de weg te staan.

Precies op tijd opende men die avond dan ook de deuren van de Hollandsche Schouwburg, sinds kort Piccadilly-theater geheten, en het publiek ging naar binnen. Pas in de zaal werd bekendgemaakt dat de voorstelling niet doorging, omdat de beroepsmusici in het orkest te elfder ure hadden besloten toch maar niet mee te werken. Ze schaarden zich aan de zijde van hen wier gevoelens drie dagen eerder waren vertolkt in het Algemeen Handelsblad: “Te veel verschrikkelijke herinneringen zijn, naar veler oordeel, aan dit gebouw verbonden om er ooit nog een 'huis des vermaaks' te scheppen.”

In juni 1942 was de Hollandsche Schouwburg, schuin tegenover Artis, in gebruik genomen als verzamelplaats voor joden die op transport zouden worden gesteld. Twee jaar later bracht de eigenaar, de Nationale Hypotheekbank, het gebouw op de veiling omdat de hypotheek niet meer werd afgelost. Geen wonder: de vorige exploitant - de acteur en toneelleider Sam de Vries - was inmiddels vermoord in het concentratiekamp Sobibor. “Nadat verschillende gezelschappen den schouwburg bespeeld hadden, heeft het gebouw, dat er thans verwaarloosd, uitziet, lang leeg gestaan,” meldde de Telegraaf op 11 mei 1944, vanzelfsprekend zonder er de reden van het verval aan toe te voegen. Op 5 juni 1944 werden de desbetreffende percelen aan de Plantage Middenlaan voor ƒ 258.310 verkocht aan de onroerend-goedhandelaar S. Attema.

Na de bevrijding werd het theater heropend onder de wufte naam Piccadilly. De macabare voorgeschiedenis vormde voor de nieuwe eigenaar geen beletsel om de zaak voortvarend ter hand te nemen. “De gevel van Piccadilly is netjes geschilderd,” schreef het Algemeen Handelsblad op 11 december 1945. “Hamers kloppen in het gebouw. Timmerlieden herstellen wat door de Duitschers werd vernield, schilders onttrekken de sporen van wat zich hier afspeelde aan het gezicht. Parketvloeren worden gelegd. Een nieuw interieur is verrezen. Wanneer wij de hall betreden, treffen vroolijke wandschilderingen ons oog. Een foyer is ingericht met een bar; aan den eenen kant is een clown geschilderd; van rechts grijnst een negerinne-kop u toe. (-) Hoe lang zal het duren voor in Piccadilly vroolijke klanken tegen diezelfde muren zullen schallen, die getuigen waren van den doodsangst van duizenden?”

Onmiddellijk vaardigde waarnemend burgemeester De Boer een beschikking uit, die inhield dat de voormalige Hollandsche Schouwburg niet meer voor openbare vermakelijkheden in aanmerking zou komen. De nieuwe exploitant zou het gebouw alleen mogen verhuren voor besloten vergaderingen en besloten voorstellingen. Blijkens de krantenberichten uit die eerste chaotische maanden na de bevrijding werd met die regel echter regelmatig de hand gelicht. Diverse toneel- en operetteverenigingen gaven er hun eerste naoorlogse opvoeringen, die op gespannen voet stonden met het besloten karakter.

Precies vijftig jaar geleden kwam de kwestie tot een uitbarsting door de staking van de musici bij de Amsterdamsche Operette Amateurs Vereniging. Nu moest er worden ingegrepen. Uit de burgerij vormde zich een comité, dat zich ten doel stelde ƒ 300.000 te vergaren om het gebouw te kopen en om te vormen tot blijvend monument voor de gevallenen. Eerst trachtte de eigenaar de opwinding nog te sussen door te beloven dat het gebouw geen Piccadilly meer zou heten, maar Artis-theater, en dat er voortaan uitsluitend “tooneelstukken van ernstige strekking” zouden worden opgevoerd. Maar ook daarvan wilde het comité, gesteund door koningin Wilhelmina en prins Bernhard, niets weten. Na een jaar was het benodigde bedrag binnen en kon de koop worden gesloten.

Vervolgens bleek het comité niet in staat te zijn het eigendom een passende bestemming te geven. In november 1950 werd het cadeau gedaan aan de gemeente Amsterdam. Maar ook de gemeente zat met de handen in het haar. Diverse plannen kwamen ter tafel: een Mensa voor de gemeentelijke universiteit, een behuizing voor het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, een gedenkplaats voor Anne Frank en zelfs een cultureel centrum voor de staat Israël, want daarmee zou men het probleem van de verbouwingskosten immers kunnen doorschuiven naar de Israëlitische autoriteiten. Niets daarvan bleek echter te verwezenlijken.

En intussen veranderde de schouwburg in een ruïne met instortingsgevaar. Er zat niets anders op, de gemeente moest zelf ƒ 240.000 uittrekken om er een monument van te maken. Alleen de VVD-fractie was tegen; die vond dat er in de stad al genoeg oorlogsmonumenten waren. Op vrijdag 4 mei 1962 werd de huidige gedenkplaats geopend, bijna zestien jaar nadat enkele beroepsmusici weigerden aan Die Fledermaus mee te werken.

    • Henk van Gelder