Hallucinerend proza van Verhelst; Op zoek naar de kleur van God

Peter Verhelst: De kleurenvanger. Prometheus, 299 blz. ƒ 39,90

Verlaat je huis en loop, een uur, een dag, tot je je voeten en je longen niet meer voelt. Vergeet of je een doel had. Vergeet of je een richting had. Ga niet meer terug, die nacht. Onthoud jezelf van slaap. Ga door, de dag daarop. Herhaal je handelingen stelselmatig, tot ze ledig worden als een ritueel. Vergeet hun zin. Vergeet jezelf. Wacht af.

Het is een radicaal experiment waar Peter Verhelst de personages van zijn romans aan onderwerpt. De verhalen wisselen, hij is een vindingrijk verteller, maar de kern blijft hetzelfde. Hij maakt zijn helden los uit hun bestaan. Hij put ze uit, hij breekt hun geest en zet ze zonder zin of doel neer in een niemandsland. Wat word je als je niets meer bent? Passief, in hun geval, een bijna sprakeloze bundel zintuigen. Maar dan gebeurt het. Losgebroken uit de grenzen van hun geest ontdekken ze een nieuwe wereld, middenin de oude. Wat dood leek, blijkt te leven. Stenen, bomen, boeken, zonlicht, alles ademt als een levend wezen. Teruggeworpen op hun lichaam, lijkt het wel, ontdekken ze dat ze deel zijn van een ander, groter, lichaam.

Dat is geen geringe zielsbeweging om aanschouwelijk te maken. Je moet woorden vinden voor het woordeloze van een lijf, je moet de geest inzetten om een leven op te roepen zonder geest. Verhelst heeft daar zo ongeveer een eigen taal voor uitgevonden. Hij schrijft zinnen van een soort zintuiglijkheid waarop je je onmiddellijk zou willen abonneren, toverachtig en toch wakker, vreemd verscherpt, alsof je bijkomt uit een verdoving. Lees een bladzij, ga de straat op en de hele buurt lijkt met je mee te ademen. Hij zet je open.

Maar Verhelst heeft meer in de zin, als ik me niet vergis. Die impressionistische sensaties zijn pas kinderspel. Het gaat hem om de zin van het bestaan, niets meer of minder. Dat grote lichaam waar je met je eigen lichaam in kunt opgaan, wordt bij hem zoiets als een vervulling van het leven. Een mystiek lichaam, katholiek gezegd, en daarmee val je midden in de Vragen van Vandaag. Frans Kellendonk gebruikte het mystiek lichaam in de jaren tachtig als symbool voor het verbond van God en mens zoals dat wordt belichaamd in de kerk, dit alles trouw aan de brieven van Paulus. Probleem voor Kellendonk was alleen dat hij daar niet meer in kon geloven. Voor hem, als moderne, al te moderne mens, bleef het bij een verlangen. Voor Verhelst lijkt het meer te zijn, hij geeft het in zijn woorden huid en bloed en zweet mee. Hij gelooft, zou je zeggen. Maar waarin?

Zijn nieuwe roman De kleurenvanger gaat een stapje verder dan Het spierenalfabet, de vorige. We zijn dit keer niet naar dat mystieke lichaam onderweg, we zitten er al middenin. Een stem verwondt de lucht als een mes. Een meisje breekt als glas. Penselen groeien uit een hand. Een mond eet woorden. Mensen worden bomen. Beelden leven. Bloemen vormen letters. Rivieren praten terug. Je stapt als Alice door de spiegel, ogenknipperend, en weet soms niet wat je ziet.

Een jongen zie je, dat in elk geval, een jongen en een meisje. Beiden naamloos. Ze ontmoeten elkaar in Brugge en zwerven daar een tijdje rond, zakkenrollend, baliekluivend, tot het meisje op een avond van een brug valt. Of stapt, dat zullen we nooit weten. Na de uitvaart pakt de jongen zijn tas en gaat op reis, het toeval achterna. Hij komt in Barcelona, in Berlijn en in Bordeaux, snijdt naar zijn gevoel bij elke stap een draad met zijn verleden door, maar merkt ten slotte in Venetië dat het hem stug is blijven volgen. Staande op een gondel voelt hij handen om zijn enkels, hij verliest zijn evenwicht en ziet al zinkende, in een wolk van luchtbellen, een bekend gezicht. Natter dan voorheen, maar zonder meer zijn meisje.

Kan zoiets? Hier kan zoiets. Je ziet het zelfs al aankomen. Je perspectief verspringt per hoofdstuk, je kijkt beurtelings met de jongen en het meisje mee, dus je weet meer dan hij. Je weet van haar al dat ze sinds de avond van haar val, of stap, gewoon is blijven ademen, onder water, en dat zoiets vaker voorkomt. 'Sommige zeelieden', legt ze uit, 'veranderen zelfs in dolfijnen als ze overboord slaan.'

Voor de jongen is dat net zo moeilijk voor te stellen als voor ons, aanvankelijk, hij ziet de dood als absoluut en onherroepelijk. Het heeft voor hem zelfs iets aanlokkelijks het zo te zien, want hij is geen groot aanhanger van het leven. Hij zou willen 'vliegen', zegt hij, en dan nog niet eens om het vliegen zelf. Hij zou als Icarus willen zijn en tollend uit de hemel vallen. Of stappen.

Die vage hang naar zelfvernietiging hebben meer figuren in dit boek, vooral de mannen, en het meest nog wel de Kleurenvanger uit de titel. Hij is kunstenaar en heeft zich voorgenomen alle kleuren van de wereld in de raten van een bijenkorf bijeen te brengen, om die daarna met een enkele beweging uit te zwaaien. Maar dan zijn de kleuren weg, zegt de jongen, wetende dat alle kleuren samen op een draaischijf zwart of wit opleveren. Precies, zegt de Kleurenvanger. Het diepste zwart, het zwart van een verdwijnpunt, van een zonsverduistering, of juist het helste wit, het wit van te lang kijken in de zon, dat is wat hij verlangt. Een zelfvernietigende kleurenmolen.

Interessant genoeg blijkt deze Kleurenvanger een gelovig mens. Het zwart of wit waar hij naar zoekt, dat is voor hem de kleur van God. De andere zijn van de duivel, want ze zijn bekoorlijk voor het lichaam. Interessant genoeg ook blijkt de Kleurenvanger met die wijsheid uit te groeien tot de kwade genius van de roman. Hij heeft zijn kleuren bijna bij elkaar - op eentje na, en hij weet ook al waar hij die kan vinden. Bij het meisje namelijk, het is de kleur van haar lokken. Hij besluit haar achterna te gaan, een jachtgeweer vast aan de schouder.

Waar Verhelst ook in geloven mag, het zal wel niet de God van deze Kleurenvanger zijn. Die leidt hem weg uit de wereld waar hij juist in wil verzinken. Het verlangen naar die God, aldus de Kleurenvanger, is een verlangen naar 'volledigheid' - naar een bestaan waar niets meer aan ontbreekt, een orde die volmaakt en sluitend is. En aangezien die in dit leven niet te vinden is, zul je het elders moeten zoeken, in het eeuwig leven van de dood. 'Elke structuur die gesloten is', zo heet het daarom in Het spierenalfabet al, 'is per definitie suïcidaal, zelfvernietigend en dus ook labiel.'

Waaruit zou moeten volgen dat de jongen, hoe hij ook mag dromen over zelfvernietiging, aan die structuur weet te ontsnappen. Dat moet iets te maken hebben met zijn meisje, stel ik me voor. Hij zoekt niet naar volledigheid, al weet hij dat in den beginne zelf nog niet, hij zoekt naar haar. Zij breekt hem los uit de gesloten cirkel van zijn wereldvluchtende verlangens. Ze breekt hem los uit de zinloosheid - hij beseft het plotseling, tegen het slot, wanneer de Kleurenvanger hem in woede vraagt of hij ook maar een notie heeft van iets dat 'zin' geeft. 'Toch wel', zegt hij. 'Liefde bijvoorbeeld.'

Waar heb ik dat meer gehoord, dacht ik daar even, maar dat is misschien te snel gedacht. Want liefde, wat is dit voor liefde? Geen moment krijg je de indruk dat de jongen echt iets van het meisje afweet. Hij droomt en fantaseert en raakt ten slotte van zijn liefde overtuigd, dat wel, maar duister blijft op grond waarvan. 'Verlies je verstand' - ze heeft het hem eerder al aangeraden. 'Geloof mij. Zeg me na: 'Jij bent een spiegeling'.' Dat is zijn liefde, het geloof in een spiegeling.

Hoe langer je daar over nadenkt, hoe merkwaardiger het wordt. De jongen leert zich in een ander te verliezen en zodoende in de wereld op te gaan. Maar waar verliest hij zich in, wanneer het in een spiegeling is? In zijn eigen hersenspinsels, zou ik zeggen. In zichzelf, dus eigenlijk niet. Terwijl hij denkt dat hij zich openstelt, sluit hij zich af. Terwijl hij denkt dat hij de buitenwereld binnenlaat, stoffeert hij die juist met zijn fantasie. Zijn geloof is niet de liefde, in de kern, maar de verbeelding.

Verhelst lijkt dat geloof te delen. Meer en meer maakt hij De kleurenvanger tot een lofzang op de vlucht van de verbeelding, die de mens verlossen kan uit de zinloosheid van het dagelijkse leven. Of het nu de Kleurenvanger is, het meisje of de jongen, hij laat ze onbeteugeld fabuleren. ('De waarheid? Ik kan de waarheid verzinnen') Hij doorspekt de intrige met losse, sprookjesachtige verhalen, die hij vaak niet één maar twee of drie keer laat vertellen, in diverse varianten, uit verschillende monden, aangedikt, vervormd tot wanen en dromen, net zo lang tot je de moed verliest om uit te plussen wat er 'werkelijk' aan is. Werkelijk, dat is wat je verzint.

Dat leidt tot driehonderd bladzijden vuurwerk, schitterend van taal en sfeer, een hallucinerende vonkenregen, en toch leidt het ook tot het onherroepelijke fiasco van het boek. Je raakt als lezer opgesloten in een voorstellingswereld die steeds verder afdwaalt van het daagse leven, tot ten slotte zelfs dat meisje nog eens opduikt, dood maar toch, en ook de laatste schijn van werkelijkheid verdwijnt. Die hele ademende wereld van De kleurenvanger blijkt geboren uit een haast autistische verbeelding. Dat mystieke lichaam, daar heeft Kellendonk nog steeds gelijk in, blijft bij een verlangen.

    • Hans Goedkoop