Gouden Boekjes, de bron der verbeelding; Pinkie, Poessie en Pietepaf: een glansrijk déjà vu

Jeugdsentiment laat zich niet makkelijk verdrijven. Wie Plofje, Pietepaf, Hondje Eigenwijs, Poes Pinkie, Konijntje Woelwater en het Rollebolle Beest als oude bekenden begroet, moet wennen aan Konijntje Loos en Meneer Mooi Weer, waarmee de klassieke serie Gouden Boekjes nu is uitgebreid. Ze betekenen voor lezers van toen veel meer dan heimwee naar een onbezorgd verleden.

Pannekoeken smaakten naar tijger, lang voor ze met een tussen-n moesten worden geschreven en de wereld werd ingekleurd door de kladderkatjes. De Gouden Boekjes, voor het eerst in twintig jaar uitgebreid met vier nieuwe titels, zijn een begrip voor veel dertigers en veertigers van nu - en ongetwijfeld tevens voor degenen die de boekjes destijds voorlazen en voor hen die ze sindsdien voorgelezen kregen. Noem het onverwoestbaar jeugdsentiment, maar hoogstwaarschijnlijk betekenen de platte, bijna vierkante boekjes met het goudkleurige rugbandje voor hun lezers van toen veel meer dan heimwee naar een onbezorgd verleden. Met de prachtige plaatjes - scènes zou je nu zeggen - en inventieve verhaaltjes moeten ze bij menigeen de toon hebben gezet voor een onbelemmerd voorstellingsvermogen.

Want waar gaat het merendeel van de Gouden Boekjes over? De avontuurlijke en soms heel absurde belevenissen van onvergetelijke figuren als Poes Pinkie, Poessie, De hondenmatroos, Hansworst, Dunkie, Het Koekemannetje, Plofje de olifant, Cornelis de neushoorn, Pietepaf het circushondje en niet te vergeten Sambo het kleine zwarte jongetje hebben het karakter van een queeste. Nieuwsgierig, onrustig, verwachtingsvol trekken de Gouden-Boekjesfiguren er op uit. Ze gaan op zoek, al weten ze niet altijd wat ze zoeken. Vriendschap, erkenning, aansluiting, kennis, identiteit en vooral vrijheid. Vrijwel allemaal drijft hen de innerlijke noodzaak om verder te kijken dan de eigen omgeving: 'Skipper was matroos. Hij wilde naar zee. En dus liep hij heuvel op, heuvel af. Net zolang tot hij eindelijk aan de kust kwam.' Ze willen te weten komen hoe het er in de wereld uitziet: 'Waar gaan we vandaag naar toe?' vroeg Christoffel. Kapitein Schuddebaas streek eens langs zijn kin. 'Wat zou je denken van Kaap de Goede Hoop?'

Op hun weg, waarbij gevaar niet wordt geschuwd, leren ze iets belangrijks over zichzelf: 'Ben ik echt een poes, moeder?' vraagt De poes die dacht dat hij een muis was aan zijn muizenpleegmoeder. Zelfs het slimme Koekemannetje, dat zodra hij gaar is 'de wijde wereld inholt', vindt zijn bestemming: het wordt opgegeten door degene die hem het lekkerst vindt. Voor de Gouden-Boekjesbevolking is het leven niet vanzelfsprekend. Het blijkt uit hun eigenzinnige instelling, prachtig verwoord in Meneer de Hond, die 'helemaal alleen van zichzelf' was. Het blijkt uit de omgang met buitenissigheden zoals het Rolle Bolle Beest: 'HIJ DUIKT HIJ ZWEMT HIJ DRIJFT HIJ IS GEWELDIG'.

Dat het overgrote deel van de Gouden Boekjes bestaat uit dieren - wilde dieren in het wild, huisdieren thuis of beesten die handelen als een mens - verandert niets aan de herkenbaarheid van hun wederwaardigheden. Van Het verlegen poesje tot Sloffie sleepboot, van Hondje Eigenwijs tot Henkie met de hoorn spiegelen ze de lezer het scala aan menselijke mogelijkheden voor en brengen ze hun het vermogen bij de onpersoonlijke buitenwereld te ontdekken en te benoemen. Niet dat die wetenschap destijds postvatte bij de kleine toeschouwer. Die genoot van het avontuur met De gele taxi, zonder zich een moment te verwonderen over het onhollandse decor dat ook veel andere deeltjes siert. Veel later pas, bij de eerste kennismaking met Amerika, dook de weerschijn van de vroegere helden op: de brug, de rode schuur, de dikke ijskast met ronde hoeken, de gele taxi.

Het geheim van de Gouden Boekjes schuilt kennelijk in een kracht die te vergelijken is met de tafels van vermenigvuldiging. De personages en situaties uit de Gouden Boekjes, zo grandioos in beeld gebracht door illustratoren als Tibor Gergely, Garth Williams (die ook de Kleine-Huisserie van Laura Ingalls Wilder illustreerde), Richard Scarry, zijn ongemerkt deel uit gaan maken van het gedachtengoed. Men brengt het geleerde in praktijk zonder er bij stil te staan, bijvoorbeeld als het geluid van een brandweerauto voorbij loeit. Ineens zie je Vijf brandweermannetjes langs de glanzend koperen mast in hun kazerne glijden, op hun roodblinkende wagens springen en naar het huis van de familie Lutteput racen, alwaar ze, 'vuur en rook, rook en vuur', in minder dan geen tijd alle vlammen blussen. Het daagt in een flits, wanneer iemand per ongeluk ongegeneerd zo hard niest als het morsige kereltje uit Mannetje Nies of als een jongetje op een rood fietsje voorbij rijdt, zoals in Wim is weg. Of op het moment dat je net als het speelse meisje uit Bij Kiki thuis een grote, zachte handdoek omslaat.

Even valt de eigen waarneming, het eigen gebaar, samen met het voorbeeld, imiteert de werkelijkheid de fantasie. Natuurlijk heeft niet ieder konijn iets weg van het dappere Konijntje Woelwater dat met zijn vermommingstruc de vos wegjaagt en uiteraard lijkt niet elk eendekuiken op Het eigenwijze eendje dat op een mooie morgen uit wandelen gaat. Het zal nog zelden voorkomen dat de bestuurder van een vrachtwagen als in Hoep zei de chauffeur de laadbak laat kieperen bij wijze van groet. Maar door de Gouden Boekjes bestaat de mogelijkheid. Juist de kans dat bepaalde voorstellingen zo nu en dan in het dagelijkse leven inbreken, maakt het déjà vu zo glansrijk. Tal van andere kinderboeken spelen op die manier ook weleens met de werkelijkheid, maar de gebeurtenissen uit de Gouden Boekjes liggen blijkbaar het diepst in het geheugen verankerd, omdat ze de verbeelding aan de bron gevormd hebben.

De geschiedenis van de Gouden Boekjes is inmiddels een halve eeuw oud. De serie Little Golden Books ontstond in de jaren veertig bij de Amerikaanse uitgeverij Simon and Schuster. De hechte combinatie van de korte, poëtische verhaaltjes met de ruime, prachtig gedetailleerde illustraties wekte de interesse van De Bezige Bij. De Amsterdamse uitgeverij verwierf de rechten en bracht in 1953 een eerste keuze van zes Gouden Boekjes in Nederlandse bewerking op de markt. Al vanaf deeltje 1 Pietepaf het circushondje was de serie een succes. Het duo Han G. Hoekstra en Annie M.G. Schmidt koos en bewerkte de deeltjes, die met zo'n vier titels per keer werden uitgebreid tot aan nummer 76 Heintje mijn treintje, eind jaren zeventig. De oplagen (ook herdrukken) bedroegen voor zover is na te gaan tussen de acht- en tienduizend exemplaren: de Gouden Boekjes zouden voor de literaire uitgeverij een belangrijke goudmijn blijven.

De toppers waren al die jaren Vijf brandweermannetjes en Wim is weg, het enige geheel Nederlandse boekje, van tekenaar Rogier Boon en bewerkster Annie M.G. Schmidt. Sommige deeltjes reflecteren bestaande kinderverhalen: Boudewijn de Beer en Dunkie lijken geïnspireerd op Winnie de Poeh en de apotheose uit Dokter Pijpekop heeft wel iets weg van Gulliver bij de Lilliputters en Roodkapje is gewoon het bekende sprookje. Maar uit het grote Amerikaanse aanbod werden vooral de meest oorspronkelijke deeltjes geselecteerd. De rest stapelde zich op in het archief van de Amsterdamse uitgeverij. Little Golden Books is in Amerika big business geworden, getuige het aandeel van Walt Disney Productions en het bedrijf dat het kinderprogramma Sesame Street produceert. Er zijn ook onderafdelingen bijgekomen zoals Religious Little Golden Books.

Om de serie in Nederland nieuw leven in te blazen haalde De Bezige Bij uit de grote hoeveelheid een stuk of twintig titels tevoorschijn die volgens haar de sfeer en hoge kwaliteit bevatten van de oude titels. Een nieuw duo, Imme Dros en Nicolaas Matsier, is aangetrokken voor de Nederlandse vertaling en bewerking. Voor het jubileumjaar 1998 worden deeltjes voorbereidt van Nederlandse auteurs en Nederlandse illustratoren. Nicolaas Matsier en Leon de Winter hebben al toegezegd. De vier nieuwe deeltjes zijn voor een oud-Gouden-Boekjesadept moeilijk te beoordelen. Meneer Mooi Weer uit 1964, met tekeningen van Gergely, rijdt in zijn witte bestelwagentje met een fantasierijk assortiment ijsjes door stad en land. Hij heeft niet de gratie van Hansworst, de poedelbanketbakkersknecht, al zorgt hij er wel voor dat twee treurige jongetjes bevriend raken. Het idyllische landleven uit Dag paard, dag koe, dag boerderij en de sportende wilde dieren uit Wie wordt wereldkampioen? moeten het vooral hebben van de vrolijke plaatjes. Maar Konijntje Loos is er een van het oude stempel, want hij gaat op zoek, en wel naar een staart. De vormgeving van de nieuwe Gouden Boekjes volgt nog altijd het vrijwel ongewijzigde Amerikaanse voorbeeld. Die eigenaardige, afwijkende uitvoering heeft zonder twijfel aan de populariteit van de reeks bijgedragen. Een harde, bordkartonnen omslag met aan de voorzijde een glimmend, aflopend plaatje van het hoofdpersonage in karakteristieke pose en aan de achterzijde een lijst met titels. Vanaf deeltje 13 stond er op de achterzijde te lezen: '300.000.000 Gouden Boekjes worden door kinderen overal ter wereld gelezen'. Het getal 3 is al lang vervangen door een 5. Nog steeds betreft het in Europa vooral lezertjes in Nederland en Frankrijk (Les petits livres d'or), die op het schutblad ongetwijfeld onder de uitnodiging 'Dit boekje is van' hun namen in hanepoten invullen. Een goudkleurig, met de handopgeplakt reepje tape bekroont aan voor- en achterzijde het brede ruggetje, dat door toepassing van de zogeheten ril, een vouwgroef, het openslaan vergemakkelijkt. Twee nietjes onder de tape houden de losse pagina's tussen achter- en voorkant bijeen. Hoewel geen gevallen van verwonding bekend zijn, moet De Bezige Bij deze handige 'bindwijze' waarschijnlijk gaan vervangen.

De serie klassieken heeft verder geen noemenswaardige wijzigingen ondergaan. Op een feit na. Een van de meestgeroemde titels Sambo, het kleine zwarte jongetje (nummer 9, uit de tweede serie, in Amerika in 1949 verschenen) wordt al jaren niet meer herdrukt. Kinderen van nu zullen niets horen en zien van de avontuurlijke Sambo met zijn rode jasje, zijn blauwe broekje, zijn groen parapluutje en zijn paarse pantoffeltjes met roze zooltjes en van binnen helemaal roze. Sambo is politiek incorrect bevonden. Alleen antiquarisch is erachter te komen hoe de vier tijgers, die Sambo zijn mooie kleertjes ontfutselen, zullen smelten tot boter, waar moeder Mambo vervolgens geelbruine pannekoeken van bakt. Dat Sambo 'pik pik zwart' is, net als zijn moeder Mambo en net als zijn vader Jambo, kan aanstoot geven, meent de uitgeverij. Een nietsvermoedende generatie wordt op die manier niet alleen beroofd van een van haar potentiële jeugdhelden, alle voorgangers worden met terugwerkende kracht suspect bevonden in hun verering. En dat terwijl de Gouden Boekjes-reeks het vreemde bejubelt, het anderszijn propageert, verschillen in mensen en dieren zo kleurrijk gestalte geeft. Voor we het weten lijdt Dokter Pijpekop aan pedofiele neigingen, is Mannetje Nies een kinderlokker, gaat Het koekemannetje over zelfdoding, nodigen de Kladderkatjes uit tot vandalisme en zijn de Vijf brandweermannetjes verkapte pyromanen. Een kind begrijpt feilloos hoe het zit met het surrealisme uit Poessie, de eenzame kat die zich fysiek tot monsterachtige proporties aanpast aan andere dieren totdat hij zich realiseert dat hij in zijn eigen lijfje het beste af is. Het zal de uitzinnige parabel over de agressieve Cornelis de Neushoorn die gewoon vreselijk bijziend blijkt te zijn, in zijn hart sluiten. Zo zal het ook moeten leren waarom pannenkoeken naar tijger smaken.