Ettertjes op de snelweg

José Angel Mañas: Madrileense roulette. (Historias del Kronen). Uit het Spaans vertaald door Doortje ter Horst. Nijgh & van Ditmar, 192 blz. ƒ 36,90.

Tegen het eind van de jaren tachtig werden de snelwegen rondom Madrid het toneel van een nieuw soort vermaak. Discogangers reden op volle snelheid tegen de rijrichting in, om te zien of ze zonder kleerscheuren de volgende afrit konden halen. Dat ging niet altijd goed. De slachtoffers vielen vooral onder de gewone weggebruikers, die niet allemaal de bescherming genoten van een van pa geleende BMW.

Over dit soort ettertjes gaat de debuutroman van de jonge Spaanse schrijver José Angel Mañas (1971) die in zijn Nederlandse vertaling de titel Madrileense roulette heeft gekregen. Dat klinkt een stuk wervender dan de oorspronkelijke titel Verhalen van de Kronen.

Toch verkocht Mañas in Spanje vele tienduizenden exemplaren van zijn boek en kwamen er honderdduizenden kijken naar de verfilming ervan. Dat het succes niet eindeloos was, bleek toen de film - waarvoor Spanje al een Oscar zag weggelegd - in Amerika flopte.

De aantrekkingskracht van het boek ligt vooral in de herkenbaarheid. Mañas beschrijft de wereld van een verwende generatie, die opgroeide tijdens Spanjes wildste, welvarendste jaren. Niets was te gek, alles was verkrijgbaar, het nationale wachtwoord luidde 'consumptie'.

Die geest beheerst ook de groep jongeren die Mañas twee weken lang in de zomer van 1992 (hoogte- en eindpunt van de economische boom) volgt. Hun gesprekken draaien om disco (de discotheek Kronen is hun ontmoetingsplaats), drugs, seks, muziek en de geweldscultus van American Psycho en Henry, portrait of a serial killer. Mañas boek bestaat voor het grootste deel uit dialogen, die met microscopische zorgvuldigheid zijn opgetekend. Het was vooral de manier van praten waarin de (grotendeels jonge) lezers van het boek zich herkenden.

Mañas weet zijn boek, door de landerigheid van zijn dialogen heen, een spanning te geven waarin de wrange ontknoping zich als een voortdurende dreiging aankondigt. Maar hij bederft het effect door in het slothoofdstuk het perspectief van de ik-figuur Carlos - de ergste van het stel - los te laten en een van zijn vrienden te laten jeremiëren over diens gewetenloosheid. Daarmee krijgt het boek een morele uitsmijter die het, ondanks zijn hyperrealisme, honderd jaar terug in de tijd werpt. De literatuur heeft inmiddels geleerd haar boodschappen subtieler aan de man te brengen.

In de Nederlandse vertaling blijkt pas goed hoe de realistische kracht van Mañas' taal in zijn tegendeel kan omslaan. Het omzetten van slang en groepstalen is een bijna onmogelijke opgave en ondanks de welwillende poging van Doortje ter Horst is het resultaat een allegaartje gebleven. Dat de 'generatie nix' praat over gabbers en fucken wil ik best geloven, maar uitdrukkingen als 'snorremans' of 'verdomde tof' hoor ik jongeren niet gebruiken (tenzij het Belgen zijn). Jeugdtaal van nu is niet die van tien jaar geleden ('de ballen'), die van de gabbercultuur niet die van het studentencorps ('gleufdier', 'mijn ouwelui') en de consequente aanduiding van vrouwen als 'wijf' is in vergelijking met het Spaans nodeloos grof.