Eeuwig vallen gaat niet; Tomek Tryzna's roman 'Meisje Niemand' werd een film

In aanwezigheid van de schrijver en de cineast ging in het Silezische stadje Swidnica 'Meisje Niemand' in première, een film van Andrzej Wajda naar de roman van Tomek Tryzna. Wajda maakte, zegt hij, met zijn verfilming een lofzang op traditionele Poolse waarden en de kerk, specifiek bedoeld voor de Poolse jeugd. De schrijver heeft zo zijn bedenkingen: “Ik haat propaganda, ook als die voor het goede is.”

Swidnica is een stad zonder geheugen. Eeuwen lang heette het plaatsje in Beneden-Silezië Schweidnitz. Het werd voornamelijk door Duitsers bewoond, tot het door een speling van het lot aan het eind van de Tweede Wereldoorlog bij Polen werd gevoegd. Het gevolg was een etnische zuivering. Negentig procent van de bewoners werd geëvacueerd, en hun huizen werden in bezit genomen door Polen die zelf meestal ook weer verdreven waren.

Onder de tienduizenden nieuwkomers in 1945 bevonden zich de ouders van de schrijver Tomek Tryzna (47). Hun woning in Warschau was door één van de allereerste Duitse bommen op de stad vernietigd. Ze betrokken een vervallen huis midden op het oude marktplein. Aan de keukentafel van dat huis schreef Tryzna in 1988 in een roes van enkele maanden Meisje Niemand, de roman die de naoorlogse Poolse literatuur op slag in een nieuwe fase zou doen belanden. Het boek is inmiddels de grootste bestseller sinds het einde van het communisme en wordt op dit moment in vele talen vertaald.

Swidnica, dat er aan de buitenkant uitziet alsof er in geen honderd jaar wat veranderd is, wil graag weten dat het een beroemde zoon heeft voortgebracht. In het culturele centrum op de markt is een manifestatie georganiseerd waar de schrijver tot ereburger van de stad zal worden uitgeroepen, samen met de Poolse regisseur Andrzej Wajda die zijn boek nu heeft verfilmd. Het wordt een middag zoals het hoort. Functionarissen houden toespraken waarin vele malen het woord 'dank u' valt te beluisteren, een man met een gitaar zingt Griekse liederen, de plaatselijke criticus geeft in een stortvloed van moeilijke woorden een analyse van het werk en een folkloristische dansgroep brengt de oude Poolse tradities tot leven.

Als we eindelijk weer met de schrijver en zijn zuster in het daglicht van het marktplein staan, zien we in de etalage van de boekwinkel het thema van de roman met poppen en lappen uitgebeeld. Een witte etalagepop die 'meisje Niemand' moet voorstellen, zit opgesloten in een ijzeren kooi. Aan weerskanten van haar de twee andere hoofdfiguren uit het boek, de twee vriendinnen die het 'meisje Niemand' in hun macht proberen te krijgen.

Meisje Niemand, waarvan sinds kort een Nederlandse vertaling is verschenen, dankt zijn succes onder meer aan het feit dat het de crisis verbeeldt waarin Polen zich op dit moment bevindt. Een meisje van vijftien vertelt hoe ze met haar familie van een dorp naar een grote provinciestad verhuist. In korte tijd maakt ze daar een aantal grote veranderingen door. Op haar nieuwe school raakt ze met twee klasgenootjes bevriend die twee verschillende manieren van leven verbeelden. Het ene vriendinnetje, gekleed in zigeunerkleding, is verslingerd aan elektronische muziek. Ze spijbelt af en toe en werkt dan op haar synthesizers aan eigen composities. Het andere vriendinnetje is vooral in bezit geïnteresseerd. Ze woont in een mooi groot huis, rijdt stiekem op de motorfiets van haar zusje en weet hoe ze oudere mannen naar haar hand moet zetten. Ze is een geboren intrigante.

Tussen beide vriendinnetjes moet het dorpse meisje kiezen. Een keuze die je zou kunnen opvatten als een keuze tussen vrijheid en materialisme, en in zekere zin tussen goed en kwaad. Soms neigt het meisje naar wat ze als het kwade ziet. Als het materialistische meisje haar chanteert, lijkt het of ze het kunstzinnige meisje volledig verloochent. 'Zo ziet mijn volwassenheid eruit' laat de schrijver haar denken, '... zo zal ik mijn hele leven blijven blijven kiezen. Ik zal toekijken hoe slechte mensen goede mensen de vernieling in helpen en ik zal geen vinger uitsteken.' Dan weer besluit ze voor het goede, vrijheidslievende meisje te kiezen.

Het bijzondere van Meisje Niemand is dat het een in wezen loodzware thematiek op een lichte, bijna kinderlijke toon behandelt. Het hele verhaal wordt door het dorpse meisje verteld. Zij gebruikt korte, meisjesachtige zinnetjes, maar naarmate het boek vordert kan ze daarmee steeds minder uit de voeten. Haar verhaal wordt doorsneden door dromen en sprookjesfragmenten en eindigt in een soort waan. Tryzna: “Het meisje krijgt steeds meer macht over de taal, maar tegelijk wordt de werkelijkheid die ze wil benoemen steeds complexer. De taal lijkt voor ons een middel om grip te krijgen op de werkelijkheid, maar naarmate we de taal beter beheersen, ontsnapt de werkelijkheid ons meer en meer.”

Tryzna's benadering heeft er toe geleid dat zijn boek een gemêleerd lezerspubliek heeft. Net als De vriendschap van Conny Palmen, waaraan Meisje Niemand soms doet denken, kan het zowel voor vijftienjarige meisjes als voor letterkundigen en academisch geschoolde filosofen interessant zijn. Het boek loopt uit op een pleidooi voor de eigen verantwoordelijkheid. Tegen het eind van het verhaal stuit het meisje tijdens een hevig onweer op een mysterieuze figuur die haar vertelt dat er naast de wegen die naar de twee meisjes leiden nog een derde weg is, en een vierde. Behalve de weg waarop ze 'als een ijspegel van hitte zal vernikkelen' en het pad waar ze 'als een nachtvlinder zal verbranden' is er de 'eigen' weg, een bochtige weg die zich als een spiraal om een berg heen wikkelt, en een weg de afgrond in. Omdat het meisje er niet in slaagt haar eigen weg te vinden, en dus een volwassen zelfstandig wezen te worden, kiest ze uiteindelijk voor de weg omlaag. Ze stort zich van de negende verdieping van de huurkazerne waarin ze met haar ouders woont, de diepte in. Ze heeft gemerkt dat haar twee nieuwe vriendinnetjes haar alleen maar als een speeltje zagen, iemand zonder karakter ('meisje Niemand'), en heeft geen verweer meer. Maar ze had natuurlijk voor de derde weg moeten kiezen zodat ze een volwassen, zelfstandige vrouw was geworden.

Aan de Poolse filmregisseur Andrzej Wajda komt de eer toe als één van de eersten het grote belang van het boek te hebben gezien. De laatste jaren had hij zich teruggetrokken in Krakau waar hij de leiding over een theater had, maar toen hij Meisje Niemand had gelezen, besloot hij zijn oude vak nog één keer op te nemen. Het boek was voor hem een sensatie. “Het goede van Tryzna,” zegt hij, “is dat hij in de jaren tachtig, op het moment dat wij alleen maar met politiek bezig waren, een boek heeft geschreven waarin de politiek geen rol meer speelt.”

Barokke film

Wajda kocht onmiddellijk de filmrechten en attendeerde de Poolse dichter Czeslaw Milosz op zijn ontdekking. Die kon zijn enthousiasme alleen maar delen. In de boekenbijlage van de Gazeta Wyborcza schreef de bejaarde Nobelprijswinnaar een juichend artikel over het boek, waarna het niet meer stuk kon in Polen. Met Tryzna, schreef Milosz, hebben we eindelijk weer een schrijver die wat anders doet dan 'de literatuur die nu voor serieus doorgaat'. Tryzna werd door Milosz tot 'een goed mens' uitgeroepen omdat hij over meisjes schreef die 'zichzelf en hun existentie moeten leren kennen, terwijl vanachter bonte kledij, neonreclame en glimmende auto's het loerende Niets zijn tanden laat zien.'

Een paar uur na het verlenen van het ereburgerschap wordt de film van Wajda voor het eerst voor publiek vertoond. Niet in een door modes en commercie geteisterde metropool als Warschau, zo zegt de regisseur in een gesprek met het publiek na afloop, maar in een omgeving die moet begrijpen waar het in de film om gaat: “Meisje Niemand gaat over een meisje dat hier in de buurt haar belevenissen heeft gehad en het publiek hier zal die weten te begrijpen.”

Gelukkig is het geen provinciale film - in de slechte zin - geworden. Van een lokale atmosfeer is weinig te merken. Meisje Niemand is een grootse, barokke film die zich sterk op de drie, door jeugdige actrices gespeelde hoofdpersonen richt. Er wordt veel binnenskamers gepraat en slechts een enkele keer zie je aan de rokende schoorstenen op de achtergrond dat hij in het Silezische mijngebied is opgenomen. De film is ook veel kleuriger dan het boek. De troosteloze huurwoning van het meisje is door Wajda herschapen in een mysterieuze blauwe salon.

De uitverkochte zaal reageert enthousiast. Andrzej Wajda heeft de drie meisjes meegebracht die de hoofdrollen spelen, en die vanwege hun identieke voornamen 'de drie Anna's' worden genoemd. Samen met de regisseur geven ze na afloop in de met veel vergeeld hout en rood pluche beklede bioscoop Gdynia geroutineerd antwoord op de vele vragen uit het publiek. Wajda legt er de nadruk op zijn film in de eerste plaats voor de jeugd te hebben gemaakt. “In de bioscoop vind je veel 15 tot 20 jarigen die geen enkele binding meer hebben met de de staat van beleg (de tijd waarin Wajda's Man van marmer speelt, RM). Aan films over die tijd hebben zij geen behoefte. Ze worden nu geconfronteerd met het probleem van de vrijheid. Sommigen zijn daar blij mee en willen die vrijheid gebruiken, anderen, misschien wel de meerderheid, hebben daar geen behoefte aan. Zij leven liever het leven dat hun door anderen wordt opgelegd. Ik vond dat een interessant onderwerp voor een film.”

De regisseur die een aantal bekende politieke films op zijn naam heeft, zegt de laatste tijd niet meer in politiek geïnteresseerd te zijn. “In Polen wordt heel veel televisie gekeken, vijf uur per dag, en daar wordt zo veel over politiek gepraat. Voor de meeste mensen is dat wel genoeg. Daarvoor hoeven ze niet meer naar de bioscoop. Maar er treden op dit moment in Polen een aantal morele veranderingen op die een veel beter onderwerp voor de film zijn. In de vrije samenleving die Polen nu is, heeft de mens voor het eerst zelf wat te zeggen gekregen. Voor het eerst zien we dat besluiten ook ergens toe leiden.

Veel vragen concentreren zich op het eind van de film. Stort het meisje zich in het boek aan het eind wanhopig van het balkon - zonder dat ze de grond bereikt - in de film heeft Wajda dat niet aangedurfd. De film eindigt met een stilgezet portret van het meisje terwijl haar stem een uitweg aankondigt. Wajda: “Ik vond dat ik iemand niet eeuwig kon laten vallen. Tryzna's boek heeft een literair einde dat in een film niet te handhaven was. Wat ik heb willen aangeven was dat ze alleen een 'meisje Niemand' in de ogen van haar twee vriendinnen is, maar niet in het echt.”

Ergernis

De ochtend na de voorvertoning spreek ik aan de ontbijttafel van hotel Piast Roman verder met de regisseur en de schrijver. Er heerst een feestelijke sfeer. Steeds meer gasten die bij de voorvertoning aanwezig waren, druppelen het zaaltje binnen. Een tafeltje naast ons zit zeer tevreden een langharige dertiger die zijn geld heeft verdiend als stuntman in films. Hij is de vriend van Tryzna die uit eigen zak 25.000 gulden in het boek heeft gestoken op het moment dat geen enkele Poolse uitgever er nog interesse in had. In de hoek zitten de drie jeugdige hoofdrolspeelstertjes in hun mooie jurken te gniffelen. De Poolse producent is er, de distributeur van het boek, Ad van Rijsewijk van uitgeverij De Geus die zich sinds kort de internationale agent van Tryzna mag noemen, en de Nederlandse vertaler en internationale ontdekker van het boek Karol Lesman.

De verhouding tussen de schrijver en de regisseur is, merk ik, zoals wel vaker bij verfilmingen gecompliceerd. Tomek Tryzna is Wajda uiteraard dankbaar dat hij zijn boek uit de anonimiteit heeft gehaald. Maar over de strekking van het verhaal heeft hij andere opvattingen. Tryzna heeft bij het verkopen van de filmrechten bedongen dat hij zelf tezijnertijd een televisiebewerking van zijn roman mag maken. Hij accepteert dus Wajda's eigen visie op het boek, maar hij kan af en toe zijn ergernis niet onderdrukken wanneer ik hem met uitspraken van de regisseur confronteer.

Tryzna wilde in zijn boek met veel grotesken en gebruik makend van de mogelijkheden van de taal, de crisis in de Poolse maatschappij tonen, maar ook zijn eigen crisis. “Mijn boek is een grote parodie, ook op de moraliteit. Ik wilde iets zeggen uit de diepte van mijn wanhoop en om dat te kunnen doen heb ik een manier gezocht om mezelf belachelijk te kunnen maken. Zo wilde ik mijn wanhoop luider laten klinken.”

Zijn eerste ideeën over het boek dateren uit 1981, de tijd van de onafhankelijke vakbond Solidarnosc. “Ik zag mensen om me heen die verdronken in de plotselinge vrijheid. Ze verslikten zich, ikzelf ook, alsof ze onder water kwamen en te veel water binnen kregen. Ik kon geen logica vinden in wat ik zag, begreep het niet. Ik ben toen maar iets gaan verzinnen.”

In eerste instantie zou zijn boek slechts over twee meisjes moeten gaan, het dorpse en het vrijheidslievende. Pas later is daar het egoïstische meisje bijgekomen. “Het oude politieke systeem was toen ik het boek schreef nog in stand, maar er begon zich ook een markteconomie te ontwikkelen. Veel mensen die teleurgesteld waren in de vrijheid, gingen hun heil toen in het materiële zoeken. Er ontstond een mafia van de nouveau riche, mensen die wel onder het communisme wilden leven, maar er zelf een luxeleventje op na hielden. Ze hadden toegang tot het verdelen van de vergunningen en hadden eigenlijk geen concurrentie te vrezen.”

Andrzej Wajda geeft in het gesprek toe uit de roman alleen te hebben gehaald wat hem aanstond. De lesbische scènes tussen twee van de meisjes ('Amerikaanse scènes waarmee ik veel publiek had kunnen krijgen') liet hij weg en het flirten van het materialistische meisje met oudere mannen werd tot een minimum beperkt. “Het gaat mij niet om hartstocht of begeerte. Meisjes hebben op die leeftijd een overvloed aan gevoelens, die ze op iemand willen overbrengen. Ze weten alleen nog niet op wie. De jongens van hun leeftijd zijn daar nog niet aan toe, die ontwikkelen zich langzamer, en bij hun ouders kunnen ze niet terecht omdat die nooit thuis zijn of alleen maar met zich zelf bezig zijn. Daarom zoeken ze vriendinnetjes op.”

Taart

Opvallend veel aandacht besteedt Wajda aan de katholieke belevingswereld van het dorpse meisje en aan de warmte en geborgenheid van haar ouderlijk huis. Het boek is op dit punt weinig uitgesproken en hier en daar zelfs karikaturaal - Tryzna noemt de kerk in ons gesprek een 'fossiel instituut dat niets authentieks meer heeft' - maar Wajda heeft er iets veel mooiers van gemaakt. Hij toont uitvoerig stemmige kerkinterieurs en laat de eenvoudige moeder van het meisje een grote wijsheid uitstralen.

Anders dan Tryzna gelooft Wajda dat de kerk in Polen nog altijd een rol kan spelen. “Veel mensen zijn er nu op uit macht te verwerven. In een nihilistische maatschappij als de onze kan dat. Maar de kerk probeert daar iets tegenover te stellen. In mijn film heb ik willen uitzoeken in hoeverre de kerk nog greep heeft op de jeugd van tegenwoordig. De drie meisjes vertegenwoordigen daarom drie verschillende stadia: van diep gelovig tot ongelovig.”

Wajda heeft van Meisje Niemand een onderzoek willen maken naar de kracht van de eigen Poolse waarden: “Veel Poolse jongeren zijn op dit moment moeilijk door de kerk te bereiken omdat ze sterk onder invloed van het westen staan. Polen is heel lang gesloten geweest, naar het westen en het oosten - ook van de Sovjet Unie is nooit veel invloed op Polen uitgegaan. Maar nu de grenzen verdwenen zijn komen er steeds meer invloeden van buiten.” Met het materialistische meisje heeft hij de westerse levenshouding willen hekelen.

Tomek Tryzna kan bij dit soort interpretaties alleen maar vraagtekens zetten. Als ik hem de uitspraken van Wajda voorleg, grijnst hij maar eens tegen me. Hij heeft er geen bezwaar tegen, zegt hij uiteindelijk, als het boek wordt gelezen als een moraliteit, 'maar dan wel een moraliteit waarin de ene zondaar tegen de andere spreekt'. Hij heeft in zijn roman de moraal willen onderzoeken, het verschil tussen goed en kwaad, zonder aan te willen geven wat dat goede en kwade is. “Ik haat propaganda, ook als die voor het goede is. Er zit goed èn kwaad in ieder mens. Mijn boek gaat over mensen die uit een kleine, gesloten gemeenschap in de grote stad terechtkomen en daar mogelijkheden krijgen waaruit ze niet kunnen kiezen. Ze moeten leren daarmee om te gaan, en dat kan fout aflopen. Het gaat er om een nieuwe houding te vinden, een nieuwe weg in de veranderde omstandigheden. Dat zal niet een weg terug zijn. Er is geen weg terug.”

Ik moet denken aan de voorafgaande middag toen aan Wajda en Tryzna het ereburgerschap werd verleend. De manier waarop ze de eerbewijzen over zich heen lieten komen is tekenend voor hun karakter. Tryzna, die de avond tevoren tot zes uur 's morgens was doorgezakt, bleef tijdens de plechtigheid doodnerveus op de gang staan te zweten, druk met zijn vrienden pratend, tot Karol Lesman hem tegenstribbelend de zaal in trok. Wajda liet zich daarentegen op het podium stralend een lauwerkrans opzetten. Hij liet zich een taart met zeventig kaarsjes aanbieden vanwege zijn zeventigste verjaardag en probeerde in één keer alle vlammetjes uit te blazen.

In een gloedvol dankwoord houdt Wajda tot slot van zijn huldiging een lofrede op de nieuw verkregen vrijheid die het mogelijk maakt dat er boeken zoals die van Tryzna verschijnen.

De zaal zet luid een verjaardagslied in: “Honderd jaar, honderd jaar!”

Tomek Tryzna is nergens te zien.