Een man van vriendschap

Midden in de nacht, om drie uur, werd ik opgebeld door een van de mannen waaruit ik besta. Hij zeurde: “Ik ben helemaal niet gelukkig met het artikel dat je op 13 september op de Achterpagina van NRC Handelsblad hebt gepubliceerd. Nee, helemaal niet. Greshoff was een belangrijk schrijver, en hij heeft erg veel goeds gedaan.

Hij heeft Willem Elsschot aan het schrijven gezet, en H. Marsman en veel betekend voor het tijdschrift Forum en het tijdschrift Groot Nederland en in New York tijdens de oorlogsjaren gepleit voor de Nederlandse literatuur. Hij had in de jaren dertig heel wat epigonen, hij maakte Adriaan van der Veen en Pierre H. Dubois wegwijs in de letterkunde, hij bevorderde de boekkunst, hij was bevriend met de beste mensen van zijn tijd. En er staat een vreselijke fout in je stuk.''

“Bewaar me”, zei ik, “hij wordt niet meer gelezen. Daar had ik het over. Ik had het niet over zijn gestalte in de cultuurgeschiedenis. Wat voor fout?”

Hij zei: “Ik ben vannacht in je boekenkast gaan zoeken, ik kwam allerlei tegen dat je niet gelezen had. Je vertelt dat kort geleden een antiquariaat een ongepubliceerd manuscript van hem aanbood, Ditjes en datjes. Fout, fout, verschrikkelijk fout. Ditten en datten was de werktitel van een boek dat onder de titel Volière in 1956 is verschenen. Ik heb de briefwisseling van A.A.M. Stols en Greshoff erop nagezocht.”

“Ach, wat een boek”, zei ik. “Dat Volière is zo idioot hooggestemd. Weet je wat je moet doen, als ik probeer te slapen? Zoek dan eens op wat hij over zijn jeugdvriend J.C. Bloem schrijft. In Volière is hij op z'n verhevenst. In zijn memoires Afscheid van Europa, uit diezelfde jaren, schrijft hij geen enkele anekdote te willen vertellen over de zo voorname dichter. In zijn brieven aan Stols beschrijft hij de oud geworden Bloem als een onverantwoordelijke, amok makende dronkaard aan wie hij allang de pest heeft. Allemaal in dezelfde tijd. Praatjes voor de vaak zijn het.”

“Een man van vriendschap”, zei hij. “Hij heeft voor zoveel mensen zoveel gedaan. Neem Marnix Gijsen. Hij was met hem bevriend geraakt toen ze in de oorlogsjaren allebei in New York woonden. Gijsen bleef er. Greshoff ging terug naar Kaapstad. Hun uitgever A.A.M. Stols kreeg een baan in Mexico. De uitgeverij in Den Haag werd beheerd door een jonge man, Barth, die economie studeerde. Gijsen schreef in New York een roman. Hij stuurde die naar Kaapstad. Greshoff verbeterde het rare Nederlands en stuurde het boek naar Den Haag. Hij drukte Barth op het hart de proeven naar Gijsen te sturen, het manuscript per se niet. Gijsen mocht niet weten van de wijzigingen. En Stols, in Mexico, hoorde er allemaal later van. Roerend nietwaar?”

“Ja”, zei ik. “Roerend vind ik ook dat hij zich zo heeft ingespannen voor de nalatenschap van Hans Lodeizen. Hij weigerde een inleiding bij de uitgave te schrijven, hij meende dat hij in Nederland niet meer werd geapprecieerd. En dat was waar.”

“Laten we aannemen”, zei hij, “dat Greshoff in de jaren dertig op z'n best was, op z'n origineelst. Je zegt dat al dat werk 'vergeten' is. Je kunt het gewoon lezen, of je nu jong of oud bent. Die 'Voces mundi' bijvoorbeeld, dat gedicht over 'Een jongen', prachtig in zijn antinazi-retoriek, echt prachtig: 'Ze hebben vader van ons weggesleurd/ En buiten sloegen ze hem neer/ De stoep van 't huis werd donkerrood gekleurd/ Dat is in onze straat al vaak gebeurd,/ Morgen gebeurt het weer'.”

“En hou dan op met lezen”, zei ik, gapend, “er volgt zoveel gerijmel, tegen de wereld, tegen de radio, het is treurig. Nee. Tijdens de bezetting was Greshoff voor ons onzichtbaar. Toen we hem na de oorlog terugzagen was hij onherkenbaar.”

Hij zei: “Tien drukken bij verschillende uitgevers, vanaf 1934, decennia lang, zo is het met zijn gedichten gegaan. En nu totaal vergeten? Na de oorlog vele vele jaren wekelijks een kritische beschouwing in het Haagse blad 'Het vaderland'. Al dat proza in boekvorm. Hij bestond toch?”

“Hij bestond niet meer”, zei ik. “Jij herinnert je dat hij onze eerste roman, De nederlaag (1950), onze tweede roman De moord op Arend Zwigt (1951), onze derde roman De linkerhand (1955) heeft beoordeeld. Zulke gekke artikelen. Die Nederlaag is toch een vriendelijk boek over jonge Nederlandse dwangarbeiders in Duitsland? Volgens Greshoff komt er niet één maar een heel klein beetje fatsoenlijk mens in voor. 'De mannen wedijveren in laaghartigheid, onbetrouwbaarheid, onzindelijkheid en vuilbekkerij'. Zo gaat het door, dat hele artikel. Over het tweede boek van hetzelfde laken een pak. Hij beweert dat de schrijver zijn blik richt op mesthopen, niet de bloeiende struiken links ervan ziet, noch het beminnelijke landhuis rechts: 'Hij ziet mest, niets dan mest...'. En de arme, zo ironisch beschreven puber die de hoofdpersoon is? 'Een verachtelijk monster, een ondermens.' Maar de derde roman wordt zéér geprezen, en die gaat nu juist wel over een akelige man. Wat vonden wij toen van die kritieken? Het moet vreemd zijn geweest om te worden afgekraakt door iemand aan wie je zoveel dankte.”

“Rancune”, zei hij. “Je neemt wraak op die stukjes. Anders zou je zo niet schrijven over Greshoff.”

“Je bent gek”, zei ik. “Je weet evengoed als ik dat jonge schrijvers zich toen schaamden wanneer Greshoff hun werk welwillend besprak. Die romans van ons zijn vergeten en vergeven. Ik herinner me niet of mijn stokoude grootmoeder ze heeft gelezen. Ze was geabonneerd op 'Het vaderland'. Wanneer ik haar een nieuw boek bracht schudde ze het hoofd en mopperde in haar taal van Nederlands en Duits dat ze benieuwd was wat 'die olle Greshoff' ervan zou vinden.”