Duitsland in de twintigste eeuw; Foutloos na een eeuw van fout op fout

Frits Boterman & Willem Melching: De Duitse Phoenix. De geschiedenis van Duitsland in de twintigste eeuw, Bert Bakker, 336 blz., ƒ 39,90

In november 1994 hield de Duitse diplomaat Egon Bahr aan de Vrije Universiteit te Amsterdam een lezing over de Duitse buitenlandse politiek van vóór en na de hereniging. Bahr, in de jaren zestig en zeventig het brein achter Willy Brandts 'neue Ostpolitik', sprak zijn bewondering uit voor het diplomatieke trapezewerk dat Helmut Kohl en Hans-Dietrich Genscher in het jaar van de Duitse eenwording hadden verricht. 'Auenpolitisch fehlerlos' luidde zijn deskundig oordeel.

Foutloos, dat kon van de Duitse buitenlandse politiek gedurende de afgelopen eeuw niet altijd gezegd worden. Integendeel, gevaarlijk vage imperialistische ambities, 'Weltpolitik' genoemd, het welbewust riskeren van een algeheel Europees conflict in 1914 en het ontketenen van een totale vernietigingsoorlog markeerden in de eerste helft van de twintigste eeuw de verschillende stadia van Duitslands 'Griff nach der Weltmacht'. Tussen 1890 en 1945 was de Duitse buitenlandse politiek een bedreiging voor de wereldvrede. Met uitzondering van de periode van Gustav Stresemann (minister van buitenlandse zaken in de relatief stabiele jaren van de Weimar-republiek, 1923-1929) duurde het na het ontslag van Otto von Bismarck in 1890 meer dan zestig jaar voor er weer van een betrouwbare, stabiliserende buitenlandse politiek sprake was. Pas met Konrad Adenauer, al bij zijn aantreden als bondskanselier in 1949 de sceptische getuige van meer dan zeventig jaar Duitse geschiedenis, ving er een nieuwe periode aan, zij het alleen in het Westen. Zijn politiek begon 'jenseits des Traums von Macht und Gröe'.

De buitenlandse politiek is één van de terugkerende thema's in De Duitse Phoenix van de Amsterdamse historici Frits Boterman en Willem Melching. Naast het geo-politieke probleem zijn de drie andere vraagstukken die de auteurs belichten: de economische situatie, het nationale vraagstuk en de verhouding tot de democratie. Boterman en Melching beschrijven wat de ontwikkelingen van deze, sterk op elkaar inwerkende terreinen, betekenden voor de reeks opeenvolgende Duitse staten: voor het Wilhelminische Keizerrijk, de Republiek van Weimar, het Derde Rijk, de Bondsrepubliek en de DDR en tenslotte voor het herenigde Duitsland. Een tour de force. Want als er één land is waarvoor de door de Britse historicus Eric Hobsbawm geïntroduceerde karakteristiek van de korte twintigste eeuw (1914-1991) als een 'age of extremes' bruikbaar is, dan is het wel voor Duitsland.

De Duitse Phoenix, een van de tot nu toe weinige Nederlandstalige overzichten van de moderne Duitse geschiedenis, begint dan ook met een opsomming van deze uitersten: de wankele economie van Weimar, zuchtend onder de schuldenlast van Versailles, versus de, sinds het 'Wirtschaftswunder' van de jaren vijftig, zo robuuste economie van de Bondsrepubliek; een vrije markteconomie contra een planeconomie; autocratie, een krachteloze democratie en totalitaire dictaturen van rechts en links tegenover een stabiele en weerbare democratie; herhaalde pogingen Europa langs militaire weg te onderwerpen versus een voortrekkersrol in de Europese Gemeenschap. De contrasten zijn buitengewoon groot en de chronologische grens is lang niet altijd de 'Stunde Null' van 1945. De lezer kan zich afvragen of hij wel met een phoenix te maken heeft, zoals de titel suggereert. Zeker, het land herrees telkens uit zijn as, maar er lijkt iedere keer een andere vogel te zijn opgestaan.

Behalve een gedegen overzicht van de Duitse geschiedenis van deze eeuw, biedt het boek ook een goede introductie tot een deel van het geschiedwetenschappelijke debat over Duitsland. Vooral in het door Frits Boterman verzorgde deel, de periode 1890-1945, krijgt de historiografie een prominente plaats. Vanuit Nederland naar het geschiedwetenschappelijke strijdgewoel kijkend, zijn de auteurs neutralere waarnemers dan de meeste Duitse vakgenoten kunnen zijn. Opvattingen van Duitse historici over bijvoorbeeld de oorzaken en de aard van het Hitlerregime, over de rol van de sociaal-democratische partijleiders in de revolutie van 1918-1919, over de Duitse schuld aan de Eerste Wereldoorlog, over continuïteit of discontinuïteit in de Duitse geschiedenis, over het democratische gehalte van Adenauers kanselierschap of over Kohls pogingen de nationale eigenwaarde te vergroten zijn daar namelijk sterker dan hier gekleurd door bepaalde politieke en ideologische voorkeuren. Het is een onvermijdelijk gevolg van een zo turbulent verleden en een zo omstreden nationale erfenis.

Bijzonder geslaagd is deze historiografische benadering in het hoofdstuk over het Derde Rijk. Boterman geeft een heldere uiteenzetting van de opvattingen over de vraag of 1933 al dan niet als een breuk moet worden beschouwd. Zeker zijn betoog over de interne machtsverhoudingen in het Derde Rijk is informatief en duidelijk: was het een eenmansdictatuur of een polycratie? Het was beide. Hitlers paladijnen konden in hoge mate hun eigen gang gaan, maar zonder de aanwezigheid van de Führer is de verbijsterende radicalisering van het bewind onverklaarbaar.

Om de politieke en maatschappelijke spanningen in Duitsland voor de gehele periode 1890-1945 in een analytisch kader te plaatsen grijpt Boterman naar een formule van de marxistische filosoof Ernst Bloch, naar het idee van de 'Ungleichzeitigkeit der Gleichzeitigkeit'. Die paradox komt herhaaldelijk terug, soms als 'moderniteit en antimoderniteit' of, waar het gaat om het Derde Rijk, als 'reactionair modernisme' of 'reactionaire utopie'. Het zijn inderdaad de termen waarin het historische debat over deze periode gevoerd wordt. Toch is het jammer dat Boterman niet enige afstand van deze terminologie heeft genomen. Zulke concepten gaan makkelijk een eigen leven leiden. Wat je je er concreet bij kunt voorstellen, wordt dan allengs minder duidelijk.

Zinvoller zijn de beschrijvingen van de directe problemen waarmee de Duitse bevolking te maken kreeg: het sociale probleem en de constitutionele kwestie, het nationale vraagstuk, onzekerheid over de internationale status, de economische crisis, het kwam allemaal tegelijk. Dat betekent overigens niet - en Boterman laat daar geen misverstand over bestaan - dat oorlog en nazisme onvermijdelijk waren.

Relatief geïsoleerd staat de behandeling van het culturele klimaat in de Republiek van Weimar. Het is een terrein waarop beide auteurs goed thuis zijn. Melching promoveerde in 1988 op een studie over het links-democratische tijdschrift Die Weltbühne, het blad van Kurt Tucholsky en Carl von Ossietzky. Boterman wijdde zijn dissertatie uit 1992 aan Oswald Spengler en diens Der Untergang des Abendlandes. Cultureel en politiek was Duitsland na de Eerste Wereldoorlog verdeeld in onverzoenlijke kampen. Links en rechts, pro- en antidemocratisch, de jonge en de oude generaties, ze stonden tegenover elkaar. Wat er vooral niet deugde aan de cultuur van Weimar was het geroep om een 'nieuwe mens'. Een deel van de frontgeneratie, onder hen de expressionisten, verwachtte die nieuwe mens van links, van een communistische revolutie. Een ander deel meende dat de door de frontervaring geharde soldaten zelf het prototype vormden. De laatstgenoemde groep was als eerste aan de beurt: de overgang van Ernst Jüngers 'Arbeiter-Soldat' naar Himmlers blonde SS-ers was een tamelijk vloeiende. Links moest iets langer wachten, al zullen de met hormonen volgespoten sporthelden van de DDR niet geheel en al met de visioenen van eertijds zijn overeengekomen. Boterman besteedt weliswaar ook aandacht aan de Amerika-cultus van de jaren twintig. Materialisme, jazz, techniek en 'efficiency' waren even in de mode, maar vooral in Berlijn. De echte Amerikanisering vond pas na de Tweede Wereldoorlog in de West-Duitsland plaats.

Ook in die naoorlogse Duitse geschiedenis zijn de contrasten enorm. Aan de ene kant is er het succesverhaal van de Bondsrepubliek, een hoopvol stemmende geschiedenis. Het bleek mogelijk te zijn lessen te trekken uit de fouten van het verleden. In feite gold dit ook voor de Westerse geallieerden die na 1945 al snel plannen maakten voor een wederopbouw van het verwoeste land en die nu - de Koude Oorlog droeg daar vanzelfsprekend stevig aan bij - met hun troepen aanwezig bleven en de Bondsrepubliek opnamen in de Westerse gemeenschap. Hoe anders hadden zij zich gedragen na de Eerste Wereldoorlog. Melching besteedt veel feitelijke aandacht aan die politieke en economische ontwikkeling.

De geschiedenis van de DDR daarentegen is eigenlijk het verhaal van één langgerekte politieke en economische crisis. Legitimiteit hebben de machthebbers nooit bezeten, volstrekt afhankelijk als zij waren van de aanwezigheid van de sovjet-troepen. Toen Gorbatsjov in de tweede helft van de jaren tachtig die Russische steun staakte, was het met de DDR snel gedaan. Greep op de samenleving behield de partijleiding toen eigenlijk nog uitsluitend via de gehate Stasi. Maar economisch was het land al lang in het ongerede geraakt. Het relaas over de geleidelijke ontbinding van de dictatuur - met een politbureau dat de desastreuze berichten over de economie niet meer las, of ze eenvoudig ontkende omdat de ideologisch bepaalde streefcijfers de andere kant op wezen - zou ronduit hilarisch zijn, als niet zovelen er het slachtoffer van waren geworden. Melching besluit zijn aandeel met een exposé over Duitsland sinds de val van de muur. Over het optreden van Kohl in het jaar van de hereniging is hij vol lof. Zijn oordeel over de kanselier wijkt niet af van dat van Egon Bahr.

De Duitse Phoenix is zo een geschikte introductie tot de moderne Duitse geschiedenis geworden. Nu de beheersing van de Duitse taal ten onzent meer en meer te wensen overlaat, voorziet het boek zelfs in een behoefte: menig tweedejaars student geschiedenis zal er zijn voordeel mee kunnen doen. Maar voor wie het Duits wel machtig is, is er een overvloed van, vaak spotgoedkope, Duitse handboeken die beter zijn.