De regel van de warme buik

In mei 1968 stak er een stevige wind op, maar ik zat uit de tocht. Terwijl buiten alles moest mogen en alles moest kunnen, zat ik binnen en leerde wat wel en niet mocht: ik leerde lezen, bijvoorbeeld. Mijn oudste broer ging in een spijkerbroek met olifantenpijpen de straat op en schilderde Love en Peace op de wangen van zijn vriendin, maar wist ik veel, Love was Engels en ik moest nog aan het Nederlands beginnen.

Mijn leeslessen oefende ik in een boek dat ik later 'mijn eerste bewuste leeservaring' zou gaan noemen. In het eerste hoofdstuk van Pietertje Broms jeugdjaren van de illustere onbekende J.P. Baljé is elk woord met potlood onderstreept, alsof ik elk woord een gewicht wou geven. Ik herinner me het plezier van het woorden uitspellen, ik herinner me de indruk die het boek op me maakte. Naar het voorbeeld van Pietertje Brom ging ik kikkers vangen in de sloot gewapend met een veel te grote emmer uit de kelder. Ik dacht er niet aan dat ik het boek onder het stof op zolder vandaan had gehaald, en dat het verhaal dateerde uit vervlogen tijden, toen sloten nog stikten van de kikkers en stekelbaarzen. In mijn kindertijd waren de meeste sloten al zwart en dood. Mijn vangst van niks gaf Pietertje alleen nog maar meer gezag.

Soms denk ik dat personages daar, op mijn buik op het bruggetje boven de sloot, hun magische kracht hebben gekregen. Ik weet nog dat ik als kind personages naspeelde, of situaties reconstrueerde aan de hand van een illustratie uit een boek. Als kind van zeven had ik niet raar opgekeken, als mijn moeder me ooit op een boekenmanier van antwoord had gediend. Met de stem van Pietertje Broms moeder op bladzijde vijf, bijvoorbeeld: “Oppassen, hoor, en jezelf niet vuil maken. De vorige keer kwam je thuis als Piet de Smeerpoets. En denk er aan, Pietje, om half twaalf thuis!”

Mijn moeder deed geen stemmetjes, ze bleef gewoon zichzelf. Ze las me nooit voor zoals moeders in kinderboeken deden, ze ging niet uit werken zoals moderne vrouwen in kinderboeken, ze had zorgen te over met haar zeven zonen - vooral dan met de oudste die spijkerbroeken droeg en al met Love bezig was.

Toen ik twaalf was, bleek dat mijn eigen moeder geen personage hoefde na te spelen. Ze was er allang zelf een geworden. Ze leek sprekend een zorgende moeder uit De kinderen van Bolderburen, en Astrid Lindgren had haar beschreven. Ons gezin leek in niets op het Zweedse gezin uit het boek, wij woonden niet in een dorp van een voorschoot groot, maar als ik mijn fantasie gebruikte konden we er met een beetje goede wil een beetje naar ruiken. Dat wilde ik zo graag. Uit verhalen van mijn broers wist ik dat ze ook wel eens van het garagedak waren afgesprongen in een poging om te vliegen, en in mijn eigen konijnenhok gebeurde af en toe een wonder van de natuur - net als bij Lindgren. Haar boeken deden me inzien dat de grens tussen fictie en realiteit zo vaag is als je zelf wil. Het hing er maar vanaf of je goed door je oogharen kunt kijken, of niet.

Ons huis was niet van hout en er hing niet aldoor een bakgeur, maar in mijn verbeelding kraakten de muren en rook het tot op mijn kamer naar krentenbrood. Misschien vermenigvuldigde ik de gezellige kerstavonden die wij echt hadden met driehonderdvijfenzestig, en leefde ik van herinneringen. Blijkbaar voelde ik in 1974 feilloos aan over welke warmte Lindgren het had. De warmte van mijn moeder, van dé moeder, van het hele gezin en de buurtbewoners. Buiten mochten ze van Koeweit zingen, en schreeuwen dat er te weinig olie was. Ik zat binnen, bij Lindgren op schoot. Ik had geen behoefte aan een extra trui.

Door het vroege veel-lezen stelde ik gaandeweg een aantal regels op. Ze kwamen er in overleg met personages uit alle lagen van de boekenbevolking. Pietertje Brom om te beginnen, de triviale Cherry's, de betere triviale Pietje Bell, Lindgrens Pippi Langkous, Els Pelgroms kinderen van het Achtste Woud. Van elk personage uit lectuur en literatuur pikte ik iets mee, en vormde op die manier een beeld van de letteren en van de wereld. Eerst ging het om eenvoudige begrippen als mooi, grappig, spannend, zoals elk kind een boek in een woord kan omvatten. Hoe meer ik las, hoe meer ik wist, hoe beter ik mijn eigen regels kon toepassen. Naarmate de stapel boeken die ik gelezen had hoger werd, kon ik meer afstand nemen en mijn visie bijsturen. Pas na mijn kindertijd kon ik inschatten waaarom Pietertje Broms moeder van haar pollepel een scepter had gemaakt, en eigenlijk een bedillerig mens was - uit welke bestofte tijd stamde ze immers ook? Pas na mijn kindertijd zag ik dat de wereld van Astrid Lindgren niet alleen romantischer maar ook geromantiseerder is dan de werkelijkheid.

Ik mag dan met de jaren kritischer zijn geworden, elke nuchtere opmerking van mezelf verdwijnt in het niet als het om een boek gaat dat beantwoordt aan de enige regel waar ik sinds mijn twaalfde niet aan heb getornd: de regel van de warme buik. Die regel is bepalend gebleken voor mijn smaak. Tegelijk is het de lastigste, omdat ik er alleen grote allesomvattende gebaren bij kan maken. Ik wijs woorden aan als 'thuis' en 'nestwarmte' en 'eerlijkheid' en 'moederland', en sluit ze zo'n beetje in mijn armen. Soms ben ik zelfs geneigd om mijn wangen bol te maken, en met veel lucht het woord 'oer' uit te spreken. Alsof het dan om een verhaal uit een oerbuik gaat. Als ik die bepaalde warmte in een boek voel, ben ik verloren.

Het positieve aan de regel van de warme buik is dat hij niet rigoureus kan worden toegepast. Je zou kunnen zeggen dat de regel, bijvoorbeeld, science-fiction per definitie uitsluit, omdat een verhaal dat zich in de toekomst afspeelt niet vanuit de buik kan zijn geschreven, maar zo snel veeg ik 2001 niet van tafel. Eerst lezen en met de elleboog voelen hoe warm het er is. Eén genre is tot hiertoe altijd door de mand gevallen: het sprookje. Een tijdlang dacht ik nog dat het aan mijn wortels lag, dat grote gezin dat aan lezen een broertje dood had, en waar voorlezen helemaal klonk alsof het alleen op andere planeten gebeurde. Nu weet ik dat sprookjes me niet bevallen omdat ze per definitie tegen de warme buik ingaan. Op voorhand weet je dat goed wit zal zijn en slecht zwart. Iedereen kent de natuurkundige wet van de tegenpolen. Je hebt plus en min nodig om het te doen bliksemen. Dat heet dan 'de basis voor een plot'. Sprookjes houden vaak op bij die basis. Goed wint van slecht, en van nuances is geen sprake. Ik wil zelf zien of een slecht mens per sé ook een heks is. Desnoods ontdek ik het in haar schaduw, hoor ik het op de achtergrond, voel ik het tussen de regels. Maar in sprookjeskastelen staat de verwarming nooit aan. Ik kijk links en rechts, als naar twee puzzelstukken, en schuif ze zuchtend in elkaar. Klaar. Geen spoor van een warme buik.

Ik ben mijn bronnen dankbaar, ook de triviale. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat Pietje Bell van Van Abcoude me aan bovenstaand ideeëngoed heeft geholpen. Als personage leunt hij dicht bij een sprookjesfiguur aan. Als kind boeiden mij vooral de stukken over de olijke, positieve Piet en de krengerige, negatieve tante Cato, en niet omdat de schrijver daar slim zat te plotten. Ik herinner me dat ik vroeger niet altijd partij koos voor de goede kwajongen, maar soms echt meevoelde met de gierige, onuitstaanbare Cato. Tussen de regels zocht ik een reden voor haar pinnigheid, en dacht ze te kunnen vinden in de eenzaamheid van het mens. Voor een heks uit een sprookje zou ik dat begrip nooit kunnen opbrengen, als er dan al een drijfveer voor werd gegeven.

Als opgroeiende lezer nuanceer ik bij elk boek mijn eigen theorieën. Aan de ene kant beweer ik dat het sprookjesgenre niet aan mij is besteed, maar ondertussen kijk ik wel reikhalzend uit naar Zwart als inkt, het nieuwe boek van Wim Hofman, waarin het sprookje van Sneeuwwitje op een Hofmaniaanse manier zal worden uitgekleed. Ik zei het al: de regel van de warme buik is niet meedogenloos.

Sprookjesfiguren, en in het bijzonder sprookjesheksen, hebben het voordeel dat ze met één been in de fictie staan, en met het andere in de realiteit. In het verleden riskeerden heksen de brandstapel, en omdat die vrouwen tenslotte ook ménsen waren, voel ik de warme buik al kloppen. Heksen van bordkarton veranderen in vrouwen van vlees en bloed.

Als je de heks, de prins op het witte paard, de koningin als sprookjesfiguur van bordkarton beschouwt, wordt de hele literatuur ineens schatplichtig aan verhalen die met 'er was eens' beginnen en met een kinderrijk huwelijk eindigen. Maar bekijk je de heks, de prins en de koningin als figuren uit de werkelijkheid, blijkt de literatuur evengoed de mosterd te halen in 'het echte leven'. En dan heeft zo'n boek meer kans om de regel van de warme buik te doorstaan.

In 1983, bijvoorbeeld, toen buiten in Sri Lanka een burgeroorlog aan de gang was, ontdekte ik binnen een van de mooiste oorlogsboeken die ik ken, uitgerekend omdat de bommen ver buiten het boek vallen: Carry's kleine oorlog van Nina Bawden. Ze schrijft vanuit Carry, die net zoals veel Londense kinderen in oorlogstijd, samen met haar broertje naar een dorpje in het veiliger Wales wordt gestuurd. Via een vriendje leren ze in het Druïdendal een vrouw kennen, die je op het eerste gezicht van hekserij zou verdenken. Hepsibah kookt lekker en kan goed vertellen. Mágisch lekker en mágisch goed in de ogen van de stadskinderen, maar vooral Carry begint gaandeweg meer en meer aan de vrouw gehecht te raken. In kinderboeken komt het recept 'vermeende heks blijkt gewone vrouw' wel vaker voor, maar Bawden voegt er meesterlijk het omgekeerde procédé aan toe. Als ze terug moet naar Londen roept Carry in haar verdriet om het afscheid een doem uit over het huis van Hepsibah. Vanuit de trein ziet ze vlammen opstijgen uit het Druïdenbos. Ondanks het element 'heks' staat dat boek bovenaan mijn lijstje van boeken die me geraakt hebben. Carry's kleine oorlog heeft me weer eens duidelijk gemaakt dat je een koude plot niet snel even opwarmt met een paar sfeerschetsen en een diepzinnige, persoonlijke gedachte van een personage hier en daar. De warmte die ik voor het eerst bewust bij Lindgren heb ontdekt, en ook weer bij Bawden zag opduiken, komt niet voort uit een techniek. Een buik hoeft geen techniek te leren, een buik werkt vanzelf. Er komen hele kinderen uit. Dat ik bij de regel van de warme buik grote, allesomvattende gebaren ga maken, en ook het woord 'oer' wil mompelen, lijkt ineens niet meer zo gek.

Voor mezelf heb ik uitgemaakt dat mijn basisregel toevallig wel de moeder van alle regels is. Het moet een betekenis hebben dat ik in 1988 verliefd ben geworden op een auteur die Janni Howker heet. Van haar was dat jaar een verhalenbundel verschenen die nu onder de titel Wormen voor Mevrouw Brady in de winkel ligt. Wereldwijd werd Howker jubelend besproken. Ze was een nieuwe stem die duidelijk met schrijven bezig was, en niet in de eerste plaats aan leuke plots of aan de lezende kinderen dacht. Haar boek had vanaf de eerste blik een bijna magische uitwerking op me, zoals je dat kunt hebben met boeken. Nog niks gelezen en toch al een beetje vertrouwd. Leeftijdgenoot Howker pakte me volledig in met één verhaal in het bijzonder, De das op de woonboot, waarin ene mevrouw Brady samen met een stinkende das op een boot woont. Het mens is ronduit onvriendelijk en uitgesproken zonderling. Dat ze een heks zou kunnen zijn, is alleen een gedachte die me nu invalt. Het verhaal ruikt inderdaad een beetje naar vuur (toevallig worden in de openingszin overal herfstbladeren verbrand), de stank van zwavel is de stank van een dier geworden, en de obligate zwarte kat is in een das veranderd. In een interessante recensie zou ik kunnen doorgaan en wijsneuzerig zeggen dat de val van zwart en wit openligt, maar bij Howker hoef ik het zover niet te zoeken. Ik die van grijs hou, krijg hier in de vorm van een kort verhaal honderd schakeringen daarvan. De relatie met het sprookje komt me mooi uit, maar veel belangrijker is Howkers buik.

Want kijk wat er gebeurde: de BBC besteedde aan Janni Howker een compleet televisieprogramma. Eerst een verfilming van een verhaal uit de bundel, en daarna een gesprek met de auteur. Ik zat verstomd naar haar te kijken. Ze leek een warm mens, daar begon het al mee. Op een gegeven moment loopt ze naar een steen toe in een desolaat Schots landschap. Met haar dunne vinger wijst ze een runeteken aan dat in de steen is uitgehouwen: een spiraal met een begin en een eind. Ze geeft toe dat ze niet weet wat het teken precies wil zeggen, maar het moest iets van heksen zijn. Heksen, jawel. Dan glijdt ze met haar dunne vinger door de bochten van het teken, langzaam naar het middelpunt toe. “Dat”, zegt ze, “is het waar het bij schrijven en lezen om gaat. Het steeds maar weer ontdekken van nieuwe gegevens. Om elke bocht ontdek je wat, tot je eindelijk het hart raakt”.

Dat heart Engels is voor hart, heb ik intussen wel geleerd. Maar een buik zit er vlak bij, en in een bepaalde betekenis komt het op hetzelfde neer. Schrijven tot het het hart raakt, lezen dat je het zelfs in je buik gaat voelen. Sinds juni 1995 draag ik mijn regel van de warme buik nog hoger in mijn vaandel, omdat er minstens één vrouw is die me precies begrijpt. Het zou me verbazen dat wij met z'n tweeën de enigen zijn.