De Nieuwe Catechismus

Ook mijn favoriete weekblad de Groene Amsterdammer heeft nu een knieval voor de heersende mode gemaakt en het obligate nummer over de wederkeer der religie uitgebracht. Het onderwerp wordt ingeleid met een beschouwing van Ger Groot, waarin het verschijnsel wordt omschreven en ook weer de vraag wordt aangeroerd of 'een beetje geloven' mogelijk is. Zoals de lezer zich wellicht zal herinneren heb ik hier betoogd dat een beetje geloven iets is als een beetje zwanger zijn; het is alles of niets: tegelijk wel en niet kan niet, en een tussenvorm is er niet.

Daar heb ik al veel over moeten horen. Een beetje geloven is volgens menigeen nu juist wat veel mensen wel doen - vooral, schrijft Ger Groot, de katholieken; ook Hans Ree heeft mij er de les over gelezen ('Geloof', in deze krant 13-8).

Het lijkt mij absoluut onontkoombaar dat er nu vóór het derde millennium aanbreekt snel een nieuwe Catechismus komt. Ziehier alvast een paar grepen uit de Verbeterde Versie:

Vraag: Bestaat God?

Antwoord: Een beetje.

Vr: Heeft God de wereld geschapen?

Antw: Ja en nee. In zekere zin wel.

Vr: Verwerpt gij de baarlijke Satan, zijn pracht en zijn praal?

Antw: Een beetje. Min of meer.

Vr: Moeten wij de tien geboden gehoorzamen?

Antw: Niet allemaal natuurlijk. Een percentage, dat moet kunnen.

Vr: Kan Jezus Christus ons verlossen van onze zonden?

Antw: Een beetje.

Vr: Zal wie oprecht berouw heeft worden vergeven?

Antw: Tot op zekere hoogte. Maar het berouw hoeft ook niet volkomen oprecht te zijn.

Hoe diep mijn intuïtieve begrip van het Roomskatholicisme is moge blijken uit wat ik eerder opmerkte over Maria en de aanslag op de Paus: de Heilige Maagd kon de kogels een beetje uit hun baan buigen, maar niet helemaal; maken dat de hele aanslag niet doorging, daartoe was Zij opmerkelijk genoeg niet bij machte.

Ger Groot schrijft: 'Volgens Rudy Kousbroek kun je niet een beetje geloven. Toch is 'een beetje geloven' precies wat katholieken altijd hebben gedaan.' Hans Ree maakt het nog iets explicieter: 'Mijn ongeloof is oprecht', schrijft hij, 'mijn respect voor de grote religies ook. Flauwekul, dat respect, een beetje geloven bestaat niet, net zo min als een beetje zwanger zijn, denkt Rudy Kousbroek. Ik denk dat er niets anders bestaat dan een beetje geloven.' Dat laatste betwist ik niet. Wat ik beweer is alleen dat het is zoals met zwangerschap: een beetje geloven is geloven, zoals een beetje oneerlijkheid oneerlijkheid en een beetje corruptie corruptie is.

En ach, dat is toch ook helemaal niet zo erg, daar ligt in het Van der Valk-tijdperk niemand van wakker. Wat ik daarentegen volstrekt ongeoorloofd vind is het voor te stellen of 'respect hebben voor de grote religies' ook onder 'een beetje geloven' valt. Dat volgt er nu juist niet uit, zoals het ook niet volgt uit het waarderen van religieuze poëzie of muziek en in het algemeen uit 'ontroering', zoals telkens weer gesuggereerd wordt. Je kunt door de meest uiteenlopende manifestaties van het geloof en verdere dingen waar gelovigen het alleenrecht op menen te hebben ontroerd zijn, zonder in enige betekenis zelf te geloven. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het putten van troost uit ritueel, zoals ikzelf (o.a. over Alan Bennett) meermalen heb beschreven. Daar is geen enkel geloof voor nodig, het heeft er strikt gesproken niets mee te maken, maar het is opvallend dat gelovigen en hun fellow-travelers grote moeite hebben dat te respecteren; daarom alleen al is dat scherpe onderscheid noodzakelijk: niet geloven is niet een beetje geloven en heeft totaal verschillende consequenties.

Ik kan me niet voorstellen dat een gelovige die er ernst mee maakt dat niet zou beamen. Ik heb mij in deze artikelenserie doelbewust onthouden van het citeren van 'gezaghebbende' schrijvers, maar het wordt een beetje kunstmatig als ik nu niet vermeld aan wie ik hierbij voortdurend denk: Montaigne. Montaigne is voorbeeldig op bijna ieder gebied en een daarvan is zijn Roomskatholicisme, waarbij je het niet in je hoofd zou halen te spreken van 'een beetje geloven'.

Een dergelijke ernst wordt nu alleen nog maar met het Protestantisme geassocieerd, maar de Reformatie was Montaigne vreemd en het lezen van zijn werk geeft een duidelijk inzicht in het verschil: voor Roomskatholieken is de basis van religieuze zekerheid de Kerk en voor de Protestanten is dat de Bijbel.

Dat onderscheid werpt licht op allerlei verschillen in mentaliteit waarvan sommige nog steeds bestaan en waar ook Ger Groot uitvoerig op in gaat. Hij vestigt terecht de aandacht op het feit dat de huidige revival, veel meer dan geloof ik wordt beseft, vooral een Roomskatholieke aangelegenheid is (niet eens in absolute cijfers, maar als modeverschijnsel). Het is een lucide beschouwing waar ik mij ook gevoelsmatig goed in kan vinden, ondanks of tot op zekere hoogte dankzij mijn Protestantse opvoeding: de Protestantse visie op de Katholieken zoals hij die beschrijft ken ik min of meer 'van binnenuit', en dat ondanks het feit dat ik mijn geloof al op mijn 12e kwijt was.

Opmerkelijk, hoe bepalend de sfeer kan zijn waar je in opgroeit: Kees Fens beschreef in een recente column hoe hij vroeger 'draaiend aan de radio, op God bleek te hebben afgestemd. En die liet zich in de treurigste liederen toezingen, een taal vermalen door duizenden godvrezende vierkante koppen en een muziek waarin het altijd een koude herfstdag is..' Maar soms had God smaak, dan was het Gregoriaans, bij de Katholieken. Een herkenbaar beeld, maar toch zagen wij in die barre na-oorlogse jaren juist de KRO als een poel van Brabants vertier; we gaven de voorkeur aan de strenge NCRV, omdat die verreweg het grootste aanbod had van klassieke muziek.

Twee dingen waar Ger Groot misschien niet voldoende aandacht aan besteedt: 1. het feit dat Katholieken, niet grootgebracht met oud-testamentisch Nederlands, zich kenmerkten door een in onze oren inferieur taalgebruik; het gold als non-U, zoetelijk en armoedig. Het ziet er overigens naar uit dat dit het taalgebruik is dat nu begint te overheersen, al of niet als gevolg van de Mammoetwet.

2. De mode van deze tijd is de verongelijktheid. Zou het kunnen dat dit ook een factor is in de huidige aantrekkingskracht van het Katholicisme, 'De Roomse verleiding', zoals De Groene het noemt, omdat er vroeger op neer werd gekeken? In Vrij Nederland van 14-9 stond hierover een opvallende ingezonden brief; het ging over drie historici die betoogden dat het ontstaan van de Noordelijke Nederlanden 'een wrange scheiding der geesten' tot stand had gebracht, waarbij in de Zeven Provinciën vooral de katholieken 'met één klap' tot tweederangsburgers werden gedegradeerd. 'Toen ik dit las', aldus de briefschrijver, 'dacht ik: dit komt uit de roomse koker, en ja hoor: universiteit van Nijmegen. De behandeling van de katholieken door de calvinisten in de 17e eeuw is vergeleken met de daaraan voorafgaande verwoestingen, onthalzingen, onteigeningen, brandstapels, folteringen en massaslachtingen in naam van de Enige Katholieke God eigenlijk een toonbeeld van tolerantie geweest binnen het raam van die tijd. Dat je in de 17e eeuw je religieuze tegenstanders niet uitmoordde, maar onder restricties toestond in het land te wonen en te werken en een eigen geloof aan te hangen (katholieken, joden) dat was nieuw. De Dordtse synode was misschien wel uiterst rechtlijnig en bekrompen, maar vergeleken met de Inquisitie was het een college van halve engelen.'

Hierover bij gelegenheid meer.