De dood als debuut

Lernert Engelberts: Oedipoes werpt jongen. De Harmonie. 61 blz. ƒ 27,50

Er vallen veel doden in de debuutbundel van Lernert Engelberts: een vriend, een vrekkige tante, een egel, een stinkende hond. De dichter staat erbij, geeft nu en dan een duwtje en kijkt ernaar - ook naar zijn eigen begrafenis, na een sprong van de keukentrap. In Oedipoes werpt jongen is de dood geen toeval, maar het logische gevolg van gierigheid, syfilis (al is het slachtoffer pas zeven), gebrek aan drijfvermogen of de strop.

De dichter beschouwt al dit sterven met cynische afstandelijkheid. Voor hem is de dood 'de mooiste van alle mogelijkheden' of een vermakelijk voorval, zoals in het gedicht 'Vochtigheidsgraad'. Daarin zet hij een egel in een teil met water: 'Ik laat hem zakken in het vloeibaar glas./'Kan je zwemmen,'/en ik geniet./Een verdrinkende egel ziet men/zelden of niet.'

Negentien is Lernert Engelberts, en zonder illusies. Als een post-postmoderne Frits van Egters weert hij zich met zwartgallige humor tegen het volwassen worden. 'Je legt je ten slotte bij de/nutteloosheid neer', stellen de slotregels van 'Vasaal eens, Kavaaf iets e.a.' Maar zo troosteloos is Engelberts nog niet. Als het even kan, rukt hij het masker van de dingen, en dan is zelfs de poëzie niet heilig, zoals blijkt uit het voor de bundel programmatische gedicht 'De poëzie verklaard'.

'Jullie zien toch ook dat de rivier haast heeft, en verzuimt alle kribben aan te tikken. Zon, maan, alles schijnt erin, verdwijnt in duister. Wees nu eindelijk stil. Takken drijven langs, een krant en zelden een been van zo'n geile barbiepop. Klanken van woorden doen pijn, wees zoet wees stil. De nacht is koud ik heb mijn doos. Dit ondergoed heb ik al tijden aan, zonder het te wassen, ik ruik het zelf niet meer.' U als kenner van poëzie had direct in de gaten dat dit geen gedicht was, maar het gebrabbel van de schizofreen die al jaren onder de Waalbrug woont. - Dit blijft onder ons. -

In de wereld van Engelberts is niets wat het aanvankelijk lijkt te zijn. 'Mijn paard was zachter dan een wattenstaaf', luidt de beginregel van 'Dierenarts'. Maar in de volgende twee pagina's wordt dit beeld langzaam maar zeker vergruizeld, tot blijkt dat dit paard - dat geen chocoladepasta at en ook niet van filet américain hield en dus wel eens ziek kon zijn - geen dokter nodig heeft. 'Boos vroeg de dierenarts/waarom ik hem had laten komen/voor een van houtworm verzadigd hobbelpaard./Moest hij daarom schreeuwen?'

Het anekdotische is bij Engelberts soms sterker dan de poëzie, maar de trefzekerheid waarmee hij naar de pointe toeschrijft maakt hongerig naar meer.