De Derde Wereld na Bob Geldof

Colin Leys: The Rise & Fall of Development Theory. James Currey Ltd London & Indiana University Press, 205 blz., ƒ 33,95

Een paar jaar geleden was het nog gebruikelijk om te spreken van een 'crisis' in Afrika. Een schuldenlast drukte op de begroting van de Afrikaanse staten, met de exporten wilde het niet erg vlotten en Westerse investeerders keken wel uit om hun geld te riskeren in corrupte economieën. Maar volgens Colin Leys, een Canadese politicoloog en ontwikkelingstheoreticus, steken die problemen nog schril af bij de tragedie die zich nu in Afrika afspeelt. Het aantal Afrikanen dat iedere dag sterft door honger, aids en geweld is ongeëvenaard in een geschiedenis die toch al niet florissant is.

In het Westen wordt echter gelaten gereageerd op deze tragedie. De enthousiaste tijden van Bob Geldof en Aid for Africa zijn voorbij. Armoede is geen nieuws meer. Zelfs in de sociale wetenschappen laat men het hoofd hangen. Waarom zijn zijn collega's en ook hijzelf zo falikant de mist in gegaan, zo vraagt Leys zich dan ook af.

In de jaren zestig, tijdens de dekolonisatie, was er nog hoop. De Verenigde Naties kondigden een 'decennium van ontwikkeling' af dat zou moeten leiden tot groeicijfers die zelfs in de hoogtijdagen van de industriële revolutie in Engeland niet gehaald werden. Net als het naoorlogse Duitsland, Japan en Frankrijk zou een dosis Keynesiaans ingrijpen in de economie en een trek naar de steden de industrialisering op gang brengen en de Derde Wereld uit het slop halen. Moderniseringstheorieën wezen op de noodzaak locale elites de basisbeginselen van modern bestuur en een gezonde ondernemingsgeest bij te brengen. Een ontwikkelingssocioloog stelde zelfs voor om zakenlui uit de Derde Wereld massaal over te vliegen naar het Westen om hun daar met 'prestatiedrang te infecteren'. Wetenschappers telden vervolgens het aantal telefoons om vast te stellen of een ontwikkelingsland al het moderne tijdperk was ingetreden. Maar tien jaar later, terwijl de VN de gewenste groeicijfers nog eens opschroefde, begonnen de ontwikkelingsexperts zich ongemakkelijk te voelen. De Derde Wereld was nog steeds niet 'opgestegen'.

Volgens Leys wisten de theoretici van de 'dependencia-school' aanvankelijk hun vinger te leggen op de simplistische vooronderstellingen van dit ontwikkelingsdenken. Zich baserend op de ervaring van Latijns-Amerika concludeerden de dependisten dat het rijke centrum van de wereld alleen een kapitalistische ontwikkeling had kunnen doormaken door de periferie 'uit te zuigen' en zo eigen kapitalistische groei te ontzeggen. Moderne elites werden door hen ontmaskerd als compradores. Internationale handel had volgens hen louter tot doel de industrieën in het Westen met goedkope grondstoffen uit de Derde Wereld draaiend te houden en multinationale ondernemingen zouden het kleine beetje economische surplus ook nog eens voor de neus van locale investeerders wegkapen.

Dit pessimisme overschaduwde echter een pragmatische benadering. Realistische alternatieven, om de Derde Wereld in deze omstandigheden te ontwikkelen, bleven uit. Welke sociaal-economische groepen moesten de 'autonome ontwikkeling' zoals voorgesteld door de dependisten in gang brengen? Was de Derde Wereld beter af voordat het Westen zijn kolonisten zond? Terwijl in de academische tijdschriften over deze kwesties een stammenstrijd woedde, werd steeds duidelijker dat de studies naar ontwikkeling aanstuurden op een intellectueel faillissement. Zo wist de grondlegger van de dependencia-school, de Zweed Andre Gunder Frank, na jaren noeste academische arbeid in 1992 alleen nog maar te melden dat beleidsmakers in de Derde Wereld moesten zien uit te vinden waar hun comparative advantage in de wereldeconomie lag.

Hoewel al die alomvattende theorieën keer op keer door de feiten van armoede en onderontwikkeling zijn tegengesproken, hekelt Colin Leys nu toch ook de post-moderne houding die tegenwoordig onder ontwikkelingsexperts gangbaar is. Feitelijke gegevens spreken nooit voor zichzelf omdat ze altijd gedefiniëerd worden via theoretische hypotheses, aldus Leys. Bovendien kunnen de ontwikkelingslanden het zich niet veroorloven om bij de pakken neer te gaan zitten en te wachten op wat komen gaat. Ook de sociale wetenschappen moeten volgens Leys daarom ideeën blijven aandragen voor de 'overleving van een beschaafde en behoorlijke wereld'.

Vooralsnog hebben alleen de beleidsmakers van de Wereldbank en het IMF getracht een coherente visie op ontwikkeling te presenteren. Na jarenlang zelf geprofiteerd te hebben van protectie-maatregelen, houdt het Westen nu een wortel voor die alleen verschalkt kan worden als de Derde Wereld de internationale vrijhandel, de triomf van het vrije marktprincipe en het terugdringen van inefficiënte staatsbemoeienis omarmt. Men verwacht namelijk dat rationele ondernemers dan de corrupte staatsbureaucratie zullen kunnen vervangen, waarna de economische groei kan beginnen.

Leys is niet onder de indruk van het theoretische fundament onder deze liberale benadering. Sinds 1980 is het inkomen per hoofd van de bevolking in Afrika niet toe- maar afgenomen. Hetzelfde geldt voor exporten. En vervolgens heeft de schuldenlast voorkomen dat de Afrikaanse staten hebben kunnen investeren in hun belabberde infrastructuur. “Niet ieder land heeft de capaciteit om te concurreren in de markt; een paar zullen daarin slagen, maar andere landen zullen ten ondergaan en vervallen in burgeroorlogen en anarchie”.

Volgens Leys is het niet toevallig dat het inkomen per hoofd van de bevolking in Rwanda, een jaar voor het uitbreken van de slachtpartijen, met 50 procent afnam door het opheffen van subsidies op voedingsmiddelen (op aanraden van de Wereldbank) en door de dalende koffieprijs. Afgezet tegen dit soort catastrofes zijn de publicaties van de Wereldbank en het IMF in de ogen van Leys niet veel meer dan propagandapamfletten.

Maar Leys zelf is ook niet in staat een nieuwe mega-theorie te presenteren die beleidsmakers zouden kunnen aangrijpen als uitgangspunt voor een alternatieve ontwikkelingsstrategie. Hij geeft wel een aantal aanzetten. Ten eerste moet onderkend worden dat ontwikkeling steeds minder bepaald wordt door nationale factoren. De nieuwe wereldeconomie moet volgens Leys het belangrijkste studieobject zijn. Dan kan bijvoorbeeld duidelijk worden dat het in de wereldeconomie om niets anders gaat dan om een race om de hoogste arbeidsproductiviteit. Ten tweede moet een verklaring gezocht worden voor de gedragspatronen van de ondernemers in de verschillende ontwikkelingslanden. De lokale bourgeoisie dient het productieproces immers ter hand te nemen en de politieke voorwaarden daarvoor te scheppen. Als de sociale wetenschappen een verklaring kunnen geven voor het feit dat de ondernemers in landen als Kenia en Ivoorkust beide functies wel in zekere mate vervullen en in Zaïre niet, dan kunnen de specifieke sociale omstandigheden worden blootgelegd waaraan de ontwikkelingsplannen zich zouden moeten aanpassen. Tenslotte, aldus Leys, verdient de geschiedenis van de wisselwerking tussen de wereldeconomie en de Derde-Wereldeconomieën meer aandacht. Want ontwikkelingsmodellen kunnen niet langer volstaan met een algemene handleiding voor good governance.

Leys' oproep voor nieuwe ontwikkelingstheorieën spreekt meer aan door zijn emotionele betrokkenheid dan door het concrete karakter van zijn voorstellen. Leys weet daarentegen wel, op haast sublieme wijze, te verwoorden waarom de ontwikkelingsstudies zo weinig hebben bijgedragen aan de welvaart voor de minderbedeelden in de wereld.