De cinema is helemaal niet dood; De onafhankelijke film gaat op zoek naar het grote geld

Het begrip Independent Film is geen geuzennaam meer. De vraag naar goedkoop gemaakte films, die afwijken van de formules van Hollywood steeg en een ouder publiek bepaalt in toenemende mate de markt. “Zelfs de katholieke kerk doet mee: de film Spitfire Grill werd gefinancierd door de Orde van Dominicanen.” Op het Nederlands Film Festival in Utrecht spreken morgen Nederlandse en Amerikaanse onafhankelijke filmers met elkaar.

Op 29 en 30 september en 1 oktober treft een aantal onafhankelijke producenten elkaar tijdens het seminar 'Benelux meets New York', georganiseerd door het Nederlands Film Festival in Utrecht.

Links en rechts worden me pamfletten, ansichtkaarten, sleutelhangers, beschilderde condooms, poppetjes, posters en vlaggetjes in de hand gedrukt. “Come see my movie”, krijg ik toegevoegd, niet vergeten, om twee vanmiddag, om drie uur vijftien, om negen uur morgenochtend. Meneer, precies iets voor u, een spirituele ontdekkingsreis naar de Afro-Amerikaanse wortels, lesbo-killers from Mars, AIDS in het Midden-Westen, de nieuwe Pulp Fiction.

De handel is in volle gang. Twee jochies van een jaar of zes grijpen me vast: “Kom naar Baby Face, heel mooi”. Achter hen doemt de vader op met een stapel uitnodigingen. Hij heeft de film gemaakt met eigen geld.

In een betonnen raamloos hok onder in de Angelika Cinema houdt de directeur van de Independent Feature Film Market kantoor. Catherine Tait is net hijgend op haar post teruggekeerd van een bezoek aan de kapper. Vanavond is het grote moment voor de wereld van New Yorkse filmmakers: de jaarlijkse uitreiking van de Gotham Awards. Acteur/regisseur Al Pacino krijgt een Lifetime Achievement Award, cineast John Sayles de Filmmaker Award en het producentenduo James Schamus en Ted Hope de Producer of The Year Award. Ik vraag geen toegangskaart, maar Tait verontschuldigt zich toch: het evenement (een sit-down dinner voor 300 dollar per couvert) is uitverkocht en de tafelschikking is voltooid. Twee jaar geleden zat ik wel aan zo'n tafel met verkopers, advocaten en verzekeringsagenten, allemaal werkzaam in de sfeer van de 'independent' film. Ik weet wat ik misloop: opschepperij.

Catherine Tait noemt een film 'onafhankelijk' als hij wordt vervaardigd zonder geld van een grote Hollywoodstudio en met volledige inhoudelijke zeggenschap voor de regisseur. Tait: “Het vereist grote vindingrijkheid om je film te financieren zonder de macht te verliezen aan de geldschieters.” Jaarlijks nemen honderden Amerikanen grote risico's met hun privé-kapitaal om films te kunnen maken. In Nederland durft alleen Theo van Gogh dat aan. Die neemt een tweede hypotheek op zijn huis.

De bekroonde regisseur John Sayles komt de aandacht opeisen van Tait. Iets met de tafelschikking. Net als Van Gogh spaart Sayles geld voor zijn films uit de opbrengst van arbeid waarvoor menig Europese kunstfilmer de neus optrekt. Van Gogh interviewt zich suf, Sayles schrijft scenario's op bestelling en verhuurt zich als script doctor (onlangs nog voor The Quick and The Dead en Apollo 13). “Het is makkelijk om onafhankelijk te blijven als niemand geld in je films wil steken”, schampert hij.

De Hollywood-regisseur zit klem tussen 'package deals' van agents. De voor veel geld geveilde scenario's worden vervolgens buiten zijn controle om herschreven, terwijl de niet door hem gekozen sterren vetorecht hebben over het resultaat en vaak ook over de 'final cut', de eindmontage. Ook de producenten en andere investeerders hebben vaak het recht om aan de montage te prutsen.

In de VS werken 7500 filmmakers buiten het systeem van Hollywood om als 'independents', of kortweg: de 'indies'. Naast een enorme invloed van documentaires, korte films en kunstzinnige video's produceerden zij vorig jaar ruim 500 speelfilms, tweemaal zoveel als vijf jaar geleden. Zelfs de katholieke kerk doet mee: de film Spitfire Grill werd gefinancierd door de Orde van Dominicanen. Met de enorme aanwas van onafhankelijke filmers is het begrip Independent geen geuzennaam meer. In feite produceert deze massa net zoveel pulp en pretentieuze mislukkingen als Hollywood. Plagiaat alom. En al wordt er onafhankelijk gewerkt, marktgevoeligheid ontbreekt zelden.

Klaagzang

In het gedrang op de gang staat de hoofdredacteur van de VPRO-televisie ongemakkelijk om zich heen te kijken. Voor de openstaande deur van de overvolle zaal waar Suicide Blonde draait proberen tientallen nieuwsgierigen een glimp van de film op te vangen. Hans Maarten van den Brink schudt het hoofd. Hij ziet hier alleen maar rommel, tot nu toe. Ik probeer nog een lichtpunt in het aanbod te suggereren. Dan gaan we mismoedig uiteen. De euforische verhalen en cijfers van Catherine Tait verbleken. In het hoofd zeurt de Europese klaagzang die altijd aanzwelt zodra de filmkunst ter sprake komt. 'De cinema is dood!' Wie heeft inmiddels niet gehoord van de heerschappij van Amerikaanse pulpfilms, van de zielige Europese filmindustrie, van de doodsteken die zijn toegebracht door video en televisie? Vergeet daarbij niet de aanslag van de muziekclips op het zich rustig ontwikkelende, lineaire verhaal en de lokroep van de interactieve vertelling op Internet. Om nog maar te zwijgen van de dreiging van digitale domeinen en virtuele actrices. “De cinema heeft als kunstvorm alleen nog toekomst in het museum”, beweerde Chris Dercon (directeur van Museum Boijmans Van Beuningen). Maar het afgelopen jaar regisseerden beeldende kunstenaars als Julian Schnabel, David Salle en Robert Longo een breder publiek en regisseerden speelfilms voor het grote doek. Geen meesterwerken misschien, maar de drang tot filmen is er en er is een levendig klimaat. Zelfs in Nederland begint het hier en daar te dagen dat niet de cinema dood is, maar dat het de filmwereld ontbreekt aan vitaliteit.

Op een zonnige middag wandel ik binnen bij James Schamus die kantoor houdt op de campus van Columbia University. De 'Assistent Professor in Film Theorie, Geschiedenis en Productie' heeft zijn studenten juist vergast op een lezing over Italiaanse schilderkunst. Nu leunt de corpulente dertiger achteruit in een bureaustoel. Het witte overhemd is tot aan de kraag dichtgeknoopt, maar zijn eeuwige vlinderdas ontbreekt. Het dasje is 'mijn eerbetoon aan de Hollywoodproducent', legt hij uit. De vorige avond droeg hij er wel een, een rood exemplaar, ter gelegenheid van de uitreiking van de Gotham Awards in de Roseland Ballroom. Samen met president Ted Hope ontving hij de Gotham Producer of The Year Award voor onafhankelijke filmproductie in New York. Vanmiddag doet Schamus er nog lacherig over. Natuurlijk, de assistent-professor had het afgelopen jaar succes geoogst met de productie van Sense and Sensibility (naar Jane Austen). Maar ook al kreeg deze film de Gouden Beer van het filmfestival van Berlijn en won in 1993 The Wedding Banquet, die James Schamus ook produceerde en waaraan hij mee had geschreven diezelfde prijs, dat betekent nog niet dat hij zich heeft geschaard bij de gevestigde orde. Ja zeker, vlak voor het gala van de 'independents' werd bekend gemaakt dat zijn filmproductiebedrijf Good Machine een lucratieve overeenkomst had gesloten met Fox Searchlight, een dochter van Rupert Murdoch's mediaconglomeraat. Maar ook dat zegt niets.

Met een waterval van woorden schetst Schamus zijn situatie. De discussie over de zogeheten onafhankelijkheid van filmmakers vindt hij saai en irritant. Of je nu binnen of buiten Hollywood werkt, overal heb je mensen die persoonlijke en tegendraadse films maken. En overal heb je hufters die je vrijheid willen beknotten. Totale vrijheid bestaat niet, want film is een 'business of relationships'. De overeenkomst met Fox Searchlight betreft slechts een 'first look deal'. Schamus lacht de suggestie weg dat hij zich heeft uitgeleverd aan het grootkapitaal. Good Machine maakt niet alleen dure films als Sense and Sensibility. Dit jaar levert het bedrijfje zeven speelfilms op, met budgetten tussen de 500 duizend en 15 miljoen dollar. Daar zit bijvoorbeeld de 'Office Killer' van de fotografe Cindy Sherman bij.

Vloek

James Schamus verhuisde ooit van Berkely naar New York om er een half jaar de praktijk van het filmmaken te ervaren. Dat was nodig, vond hij, voor zijn dissertatie over de Deense cineast Carl Theodor Dreyer. In de tussenliggende jaren verliep zijn filmcarrière zoals dat gaat in New York. Jarenlang onbetaalde baantjes in alle mogelijke hoeken van het filmbedrijf en intussen met geleend, gespaard en bij elkaar gelogen geld eigen films van de grond brengen. Zijn eerste kwam al snel: Golden Boat van de Chileense regisseur Raul Ruiz, die hij had ontmoet bij een lezing op Harvard University. De film werd gedraaid en gemonteerd met 28 duizend dollar geleend geld (van familie en op een tiental creditcards) en op 20 duizend dollar subsidie van de National Endowment for the Arts (die presidentskandidaat Dole nu wil opheffen). Een paar Belgische investerders verloren hun aandeel van 20 duizend dollar. Schamus verging het niet veel beter.

Maar begin jaren negentig keerde het tij. Met Ted Hope richtte Schamus Good Machine op om de films van Hal Hartley (alle films vanaf Simple Man in 1992) te produceren. Het aantal tv-kanalen dat films wilde uitzenden nam toe, de videomarkt trok aan en het publiek wilde weer uitgaan, zelfs naar 'low budget'-films. De vraag naar goedkoop gemaakte films, die afweken van de formules van Hollywood en van de televisiefilm, steeg. Nu bepaalt het oudere publiek in toenemende mate de markt voor onafhankelijke film, volgens Schamus. Het wil geen wilde avant-garde en ook geen stupide Hollywoodnonsens. “Het is ironisch, maar het succes van Pulp Fiction is een vloek gebleken”, zucht Schamus. “De film bracht 100 miljoen dollar op. Daar lusten de filmbedrijven er wel meer van. Om die projecten te ontwikkelen nemen ze nieuwe vakmensen, scouts, script-ontwikkelaars, advocaten en marketinglui in dienst. Die krijgen allemaal hoge salarissen in afwachting van hun nieuwe hitfilm. De overhead is gestegen en goeie 'low budget'-films die een paar jaar geleden nog als succes werden gezien als ze drie miljoen gulden opbrachten, vinden nu nog maar moeilijk een distributeur.” Achter het hoofd van Schamus trekt een schaduw over een ander gebouw op de campus. In grote letters staan daar de namen in gebeiteld van de Griekse filosofen.

Negentig procent van de 28.000 bioscopen in de VS wordt beheerst door de grote Hollywoodbedrijven. Van de 500 onafhankelijk geproduceerde speelfilms bereikten er vorig jaar slechts veertig de bioscoop. Niet veel meer dan vijf jaar geleden, maar de opbrengst is vele malen hoger. Een kleine debuutfilm als The Brothers McMullen (regie: Edward Burns, productie: Schamus' Good Machine) bracht ruim tien miljoen dollar op. De tweede film van Burns, wederom met Good Machine, wordt nu gedistribueerd door Fox. De meeste onafhankelijke distributeurs zijn uit de markt gedrukt door de grote jongens van Miramax (Disney) en New Line (Time-Warner), die elk talentje exploiteren. Filmmakers die de boot missen moeten distributeurs met veel geld en promotiemateriaal zien te overreden om hun films in het pakket op te nemen. Minimaal eisen deze bedrijven 150 duizend dollar, plus 25 kopieën van de film.

James Schamus mijmert over de regisseur Jim - Stranger than Paradise - Jarmusch om een nader onderscheid aan te geven tussen de onafhankelijken en de werknemers van Hollywood. Voor die laatsten is het vrijwel onmogelijk zich consequent te ontwikkelen, inhoudelijk consistent, langs een lijn die van film tot film te volgen valt en die zich niets aantrekt van modes en de markt. Jim Jarmusch belichaamt daarentegen de onafhankelijke aanpak: als een van de heel weinige speelfilmers heeft hij kans gezien om zijn werk steeds zelf te produceren en hij is eigenaar gebleven van de negatieven van al zijn werk. Daardoor is hij - maar niemand anders - verantwoordelijk voor de ontwikkeling van zijn oeuvre tussen Permanent Vacation (1980) en Dead Man (1995). Dat wil overigens niet zeggen dat Jarmusch zichzelf heeft opgesloten op zijn eigen planeet: Dead Man werd gedistribueerd door Miramax, en dochter van Disney.

Jimi

In Angelika Cinema loop ik Jeffrey Gillmore tegen het lijf. Hij is directeur van het Sundance Festival van Robert Redford. Schamus had me verteld dat Sundance de ontwikkeling van de laatste jaren belichaamt: van een platform voor de onafhankelijke film is het festival veranderd in een jachtgebied voor Hollywood. “Met het succes van een paar onafhankelijke films hebben de grote bedrijven deze nieuwe markt heel snel overgenomen,” bevestigt Gillmore. “Het ging bijna nog sneller dan met de tegendraadse popmuziek in de jaren zestig, toen musici als Janis Joplin en Jimi Hendrix onmiddellijk vercommercialiseerden. Nu is er opeens veel geld. Maar de markt regeert en inhoudelijke risico's worden niet toegestaan.” Gilmore vindt dat allemaal geen ramp. “Je hebt een alerte en bloeiende industrie nodig om ruimte te maken voor het experiment. En bewust marginale filmers hou je altijd. De zwarten, de latino's en zelfs de homo-films zullen toch meestal niet het grote publiek aanspreken.”

Ik herinner me de eerste onafhankelijke filmmarkt nog, in 1979. Een rebels alternatief voor het sjieke en suffe New York Film Festival. De wereld van onafhankelijke filmers was nog erg overzichtelijk, de meeste New Yorkse filmers kenden elkaar. De meesten waren 'indies' uit de jaren zeventig: John Cassavetes (A Woman under the Influence, 1974), Barbara Kopple (Harlan County, 1976), Terrence Malick (Badlands, 1973), David Lynch (Eraserhead, 1977), Martin Scorsese (Mean Streets, 1973), Charles Burnett (Killer of Sheep, 1977) en Claudia Weill (Girlfriends, 1978).

Ik logeerde dat jaar een tijdje in het huis van Herbie Hancock in Los Angeles, waar Claudia Weill ook onderdak had gevonden. Na het succes van Girlfriends had ze een aanbieding aangenomen in Hollywood. Ze was opgetogen. Zingend ging ze 's ochtends het huis uit. Dat duurde twee weken. Daarna werd ze stil. Nooit meer iets van gehoord.

Bijna twintig jaar later kun je toch niet zeggen dat de cinema dood is, opgevreten door Hollywood. Quentin Tarantino, Abel Ferrara, Wayne Wang, Ang Lee, Hal Hartley, Greg Araki, Todd Haynes, Jim Jarmusch, Jon Jost, John Sayles, Jan Oxenberg en vele anderen bewijzen het tegendeel. En misschien wordt het nog wel eens wat met Julian Schnabel. Al is het meer dan ooit oppassen geblazen, nu zelfs de marge een markt krijgt.