Berichten van overzee

Zuid-Afrika heeft Nederland zelden koud gelaten. Soms was het in de Nederlandse perceptie een land vol wilden, dan weer leefden er ook beschaafde volkeren. Lang was men anti-Engels en voor de Afrikaners. Totdat de apartheid het beeld deed kantelen. Vrijwel gelijktijdig verschenen twee boeken over die beeldvorming.

Martin Bossenbroek: Holland op zijn breedst, Indië en Zuid-Afrika in de Nederlandse cultuur omstreeks 1900. Bert Bakker, 443 blz. ƒ 59,90

Iedereen herinnert zich nog de ondergang van de Amsterdamse woonboot die in 1988 bij de rondvaart van het Nederlandse voetbalelftal bezweek onder het gewicht van de juichende aanhang langs de Amstel. Afgelopen zomer wachtte slechts een handjevol supporters het Nederlands elftal op, dat in Engeland bij lange na geen Europees kampioen was geworden zoals in 1988. Het nationale elftal wordt alleen verheerlijkt na overwinningen.

Zo ging het honderd jaar geleden ook, maar dan niet bij overwinningen van een voetbalploeg maar van een leger en niet op het sport- maar op het slagveld.

Van Heutsz en het Nederlands-Indische leger werden bejubeld omdat zij het vorstendom Atjeh met harde hand bedwongen. Enorme opwinding was er vooral rond de onderwerping van het nietige Lombok in 1894 - zoiets als een overwinning op het Luxemburgse elftal.

Veel luider nog dan het Nederlands-Indische leger werden de prestaties van de Zuidafrikaanse Boeren toegejuicht. De in de zeventiende eeuw gestichte Nederlandse Kaapkolonie was omstreeks 1800 door de Britten overgenomen en Nederland onderhield nog maar mondjesmaat betrekkingen met de gedeeltelijk uit Nederland stammende Boeren. Toen de onafhankelijke Boerenrepubliekjes Transvaal en Oranje Vrijstaat zich in 1880 en 1881 met succes aan een Britse annexatie ontworstelden, veranderde dat op slag. Opeens herinnerden Nederlanders zich hun vergeten 'stamverwanten' weer en vierden hun overwinningen alsof het Nederlandse prestaties waren.

Nadat de rust in Zuid-Afrika was weergekeerd, zakte de opwinding in Nederland ook weer snel. Maar die kwam weer terug toen in 1884 de Transvaalse president Paul Kruger Nederland bezocht en bereikte een absoluut hoogtepunt aan het begin van de tweede Boerenoorlog (1899-1902) toen de Britten de Boeren definitief onderwierpen. In het begin van de oorlog leek het er namelijk op dat de Boeren het zouden redden tegen de Britse overmacht. De aanvankelijke overwinningen brachten de Nederlandse supporters in extase.

Na de nederlaag ebde de belangstelling voor Zuid-Afrika echter snel weg. Eigenlijk waren alle betrekkingen met het land, tot de strijd tegen de Apartheid, nog de vrucht van deze twintig jaren dat Nederland soms heftig met Zuid-Afrika meeleefde. Tot omstreeks 1960 hielden enkele pressiegroepen en veelgelezen jongensboeken de herinnering levend aan die episode, die ook nog voortleefde in de vele Transvaalbuurten en Krugerpleinen of beelden die her en der in Nederland te vinden zijn. Pas daarna ging het niet meer over Boer tegen Brit, maar over zwart tegenover blank.

Dit is allemaal niet onbekend. In zijn standaardwerk De Lage Landen noteerde de historicus Kossmann al in de jaren zeventig dat de Boeren voor Nederland de geuzen van de negentiende eeuw waren. In veel literatuur is dat nadien nader onderzocht. Ook het merkwaardige verschijnsel dat Nederland zich bij tijd en wijle veel meer opwond over Zuid-Afrika dan over de reëel bestaande kolonie Indië is wel vaker geconstateerd. Over het Nederlandse imperialisme in Indië is de laatste tijd bovendien veel geschreven. Het doet dan ook wat geforceerd aan op de achterflap van een zojuist verschenen boek te lezen: 'Anders dan tot nu toe werd aangenomen, was ook de Nederlandse samenleving omstreeks 1900 ontvankelijk voor de prikkels van nationalisme en imperialisme'.

De tekst zal wel afkomstig zijn van een uitgever die de literatuur niet goed heeft bijgehouden. De auteur van Holland op zijn breedst is te goed ingevoerd om iets dergelijks op te schrijven. Iedere bladzijde van de Leidse historicus Martin Bossenbroek getuigt ervan. Wie zijn boek wil aanprijzen, moet het niet vernieuwend of verrassend noemen - dat is het voor de ingevoerde lezer maar een enkele keer - maar een met veel vaart geschreven inventarisatie van alles wat bekend en minder bekend is over de betekenis van Indië en Zuid-Afrika voor Nederland anno 1900. Zijn boek biedt niet zozeer een nieuwe visie, maar is een uiting van de al enige tijd dominante opvatting dat Nederland door hetzelfde nationalistische en imperalistische vuur werd aangeraakt als de Europese grote mogendheden maar hooguit niet over de middelen beschikte om even expansief te zijn.

Bossenbroek schreef eerder over de werving voor het Indische koloniale leger. Nu voegt hij niet veel toe aan de verklaring van het Nederlandse nationalisme en imperialisme van de periode en analyseert de eraan ten grondslag liggende gedachten nauwelijks. Maar hij toont wat er gebeurde op het terrein dat hij beschrijft. En dat doet hij deskundig en beeldend. Hij kiest voor een scenische presentatie van zijn materiaal aan de hand van tijd, plaats en handeling. Zo wordt duidelijk op hoeveel terreinen nationalisme en imperialisme concrete effecten hadden: overheid, verenigingen, media en evenementen voor een groot publiek. Deze imperialistische popularisering speurt hij na van wereldtentoonstelling tot schoolboek.

Het blijkt overigens wel dat Indië en Zuid-Afrika toch een sterk verschillende impact in Nederland hebben gehad. Omstreeks 1900 nam de aandacht voor Indië sterk toe en deze belangstelling heeft op de lange duur veel meer invloed gehad op Nederland dan die voor Zuid-Afrika. In de hoofdstukken die Bossenbroek wijdt aan leger, wetenschap, bedrijfsleven, zending en kunst komt Zuid-Afrika ook amper voor. Alles wat met staat, economie of hoge cultuur verbonden was, richtte zich allereerst op Indië. De trait d'union met de opwinding over Zuid-Afrika die over het algemeen bredere lagen van de bevolking raakte, werd merkwaardigerwijs door de wetenschap gevormd. De maatschappelijke sector, die zich bij uitstek beroemt op distantie en objectiviteit, werd als geen andere het brandpunt van imperialistische en nationalistischde actie. In Zuid-Afrika en Indië gebeurde het, daar werd geschiedenis gemáákt in plaats van er over te schrijven, zoals een Nederlandse intellectueel op een gegeven moment verzuchtte. Weg van de boeken, het echte leven in; menige intellectueel droomde er toen van.

De presentie van Zuid-Afrika was kort maar hevig, de doorwerking van Indië meestal geleidelijker. Er kwamen weliswaar massa's mensen naar de wereldtentoonstelling in Amsterdam van 1883 waar Indië centraal stond, maar zij kwamen niet uit vlammend nationalisme. Ze kwamen uit nieuwsgierigheid en om een dag in de hoofdstad te zijn die zij nu met de trein konden bereiken. De nieuwe communicatiemiddelen speelden een grote rol in de verbreiding van nationalisme en imperialisme. Berichten van overzee bereikten Nederland met de nieuwe stoomboot of de nieuwe telegraaf, en werden doorgegeven naar de uithoeken van het land via de nieuwe kranten voor groot publiek en de nieuwe spoorwegen.

Bossenbroeks informatie is goed, zijn tempo is hoog en hij weet zijn publiek mee te nemen. Daarmee is zijn boek behalve een inventarisatie ook in zekere zin een popularisatie. Zijn schrijfenthousiasme is overigens wel wat vermoeiend met zijn vele retorische vragen, vondsten als: 'Holland ijlde een woordje mee', alliteraties als 'de roepstem uit de rimboe, versterkt door de wekroep van de wetenschap' en uitgesponnen beeldspraak waarin nationalistische opwinding een halve bladzijde lang met trillingen, bevingen, seismische bewegingen en een wetenschappelijk epicentrum in verband wordt gebracht. Maar dit is een kwestie van smaak. Interessanter is wat de auteur met zijn enthousiasme nu eigenlijk wil zeggen. De belangstelling voor Zuid-Afrika duurde 'kort, o zo kort' zegt hij ergens, de giften voor de Boeren hadden 'wel iets heroïsch' en als laatste regel van zijn boek: zonder dromen vaart niemand wel. De stemming van het boek is misschien in deze zin gevat: 'Spannend hoor, zo'n koloniale oorlog'. De zin sluit een alinea af waarin een curieus 'oorlogsspel' wordt beschreven dat de Atjeh-oorlog terugbrengt tot ganzenborden. Bossenbroek kan er zijn ironie op loslaten, maar het is duidelijk dat hij meer plezier beleeft aan het beschrijven van de nationalistische dynamiek omstreeks 1900 dan hij zou hebben gehad bij het weergeven van het rustiger, burgerlijker, maar ook minder nationalistische midden van de negentiende eeuw. Nu onthoudt Bossenbroek zijn publiek niet de met het imperialisme verbonden verhalen van ontluisterend geweld, onzinnig superioriteitsgevoel en platte domheid. Hij toont de soms verbijsterend expliciete foto's van de dodelijke resultaten van Indische oorlogen die het leger met genoegen publiceerde, ongeveer in de trant van: stoere Nederlandse soldaat staat op dode Indiër. Desondanks balanceert hij met zijn uitbundige ironie op een slap koord. Zijn stijl sluit misschien al te goed aan bij de stemming van de periode die hij beschrijft: opwinding, energie, tomeloze behoefte aan beweging, heldenstrijd. De keerzijde hiervan was hakken zonder al te veel op de spaanders te letten en een daarmee verbonden banalisering van geweld. Zonder blikken of blozen werd nu en dan de uitroeiing van de Atjehers als de beste oplossing van de koloniale oorlog aangeprezen.

Misschien bestond er echter toch iets van een kwaad geweten en verklaart dit deels het naar verhouding onbeperkte enthousiasme voor Zuid-Afrika. Daar gold de steun de degelijke underdog en ging het toch om vrijheid en recht? Terwijl de tegenstem tegen de Atjeh-oorlog nooit geheel verstomde, was vrijwel iedereen begaan met de Boeren die zich - op veilige afstand en zonder al te veel relevantie - nog gemakkelijker voor kritiekloze mythevorming leenden. Het is bekend dat Willem Drees later schreef als jongetje politiek bewust te zijn geworden door de Boerenoorlog. Zijn interesse voor de 'publieke zaak' en voor de uitwassen van het (Britse) kapitalisme en imperialisme was erdoor gewekt. Voor het eerst kwam de grote wereldgeschiedenis in zijn kleine wereld binnen en de opwinding over de Boeren leidde in zijn geval blijkbaar niet - of niet alleen? - tot kritiekloze identificatie, maar tot politieke bezinning.

Ondertussen gingen enkele Nederlanders daadwerkelijk naar Zuid-Afrika om er te vechten en zich vervolgens te laten doodschieten of gevangennemen. Dat is de ellende van nationalisme en imperialisme in de reëel bestaande wereld. Men kan er zich van een afstand vaak over verbazen, er zich soms vrolijk over maken, maar anders dan bij voetbal of ganzenborden vallen er echte doden bij. En het erge is dat de bloemen op het graf volgens sommigen nog een afdoende pleister op de wonde zijn ook.