Allegorische Hongaarse verhalen

László Darvasi: Het treurigste orkest van de wereld. Uit het Hongaars vertaald door Frans van Nes. Van Gennep, 192 blz. ƒ 34,90

Hoogst verwarrend en verontrustend is de wereld zoals ze beschreven wordt door de Hongaar László Darvasi (1962) in de verhalenbundel Het treurigste orkest van de wereld. Geweld en verraad domineren er, ziekte en verderf. Rusteloosheid en lijden is het lot van hen die gedoemd zijn er te vertoeven. Hoop doet hen leven, maar de hoop zelf is ook verraderlijk. Wie hoopt, is kwetsbaar en alleen wie bang is, wil hopen. 'Wijk van ons, zeggen we tegen de angst, en we hebben die goedkope, woekerachtige hoop niet langer nodig, omdat onze zinnen en onze gevoelens ons macht geven' - het is een van de vele uitspraken in deze bundel die tot denken aanzetten. Met één keer lezen kom je er niet bij Darvasi. Voor een vluchtige blik blijven zijn verhalen op slot. Wie te snel doorleest, glijdt uit want de betekenis glipt onder hem weg.

Er is tijd voor nodig om in te zien wat deze allegorische verhalen met hun zo uiteenlopende personages en lotgevallen elkaar verbindt. Vaak draait het verhaal om een of andere vorm van grensoverschrijding. De overgang van leven naar dood is een terugkerend motief, maar ook die van jeugd naar volwassenheid, van lichamelijke gezondheid naar ziekte of mentale gezondheid naar waanzin. 'Misschien heb ik van mijn gekke patiënten de zucht naar grenzeloosheid, en van de jammerlijk stervenden de hardheid van de grenzen geleerd', zegt de arts die als verteller fungeert in 'De Blauwe Waterval van Fulda'. Dit verhaal, een van de mooiste uit de bundel, gaat over het gevecht dat een doodzieke vader en zijn opgroeiende dochter tegelijkertijd, maar beiden in grote eenzaamheid, uitvechten met de grens waar ze overheen moeten.

Waar uiteindelijk de man in vrede overgaat naar de andere wereld, delft zijn dochter het onderspit tegen de verschrikkingen die zich in haar binnenste openbaren. Het verwarrende daarbij is dat haar ondergang bewerkstelligd wordt door een nieuw vriendinnetje, dat juist een onaardse zuiverheid en onschuld uitstraalt, alsof de gruwelen van de ziel pas in de straling van dat licht aan de dag treden. Het omgekeerde gebeurt ook: wat algemeen het meest gevreesd is, wordt als weldadig ervaren. Zo deelt de ongeneeslijk zieke hoofdfiguur in een ander verhaal mee dat 'in al die achtentwintig jaar geen enkel verschijnsel in het leven (...) me met zoveel begrip, geduld en fijngevoeligheid tegemoet is getreden als datgene wat ze vergankelijkheid, dood of ondergang, weet ik veel, noemen.'

De overgang van de ene wereld of toestand naar de andere gaat vaak onder begeleiding, of soms onder dwang van een 'engel', een figuur komend van de overzijde, wat dat laatste ook mag inhouden. Zo lijkt in het titelverhaal de grens, of een van de grenzen, te lopen tussen twee ideologieën, en is de dikke vreemdeling Gabriel met zijn onschuldige blauwe ogen misschien wel het zinnebeeld van kapitalistisch West-Europa. Met zijn plotselinge komst doet hij het naamloze stadje even opschrikken. Het corrupte gemeentebestuur gedraagt zich tijdelijk iets geciviliseerder, de vreemdeling begint een handeltje, brengt wat leven in de brouwerij. Zelfs lijkt hij als enige in staat tekens van de hoop te duiden waarvan de inwoners van het stadje zich allang niet meer bewust zijn. Maar de redding blijkt illusoir; onder het dunne laagje beschaving woekeren arglist en barbarij voort. Tegelijk met het oude bestuur wordt ook de wellevende vreemdeling afgeslacht, en het ideaal waar eens voor gestreden en gestorven werd, verwezenlijkt zich als een lugubere en surrealistische farce.

Het meesterschap en de moed van Darvasi uiten zich vooral in zijn weigering de complexiteit uit de weg te gaan. De worsteling van een eenling met passie, moraal en religie, het functioneren van ideologie, agressie en verraad, en vooral 'de breekbare structuur van de hoop' - steeds worden ze in hun onderlinge samenhang bekeken. Concessies aan eenvoud en begrijpelijkheid doet Darvasi niet. Wat hem bezighoudt is juist de vervlochtendheid van alles: 'Het universum mag dan uitdijen, de dingen verwijderen zich niet van elkaar, maar raken elkaar eerder, het goede het slechte en het schone de leugen'. Dat verklaart ook waarom de ik-figuur van de meeste verhalen, een kale jongeman die nooit met name genoemd wordt, de ene keer een ongerepte houthakkerszoon is, een andere keer lid van een bende schorem, en weer een andere keer moordenaar en ongerept tegelijkertijd.

De subtiliteit en bezonkenheid die deze verhalen kenmerken, doen op geen enkele manier een beginnend schrijver vermoeden, net zomin als de prachtige, poëtische stijl waarin ze geschreven zijn. Darvasi wordt op de flap van het boek aangeprezen als 'een van de opvallendste talenten van de jonge Hongaarse literatuur' en dat is geen loze kreet.

    • Helen Saelman