WW-plan Sociale Zaken leidt tot vermindering werkloosheid; Amerikanen inspireren Melkert

DEN HAAG, 26 SEPT. De vice-voorzitter van de PvdA, Ruud Vreeman, kwam een jaar geleden enthousiast terug van een studiereis met wat mede-Kamerleden naar de Verenigde Staten. Hij was onder de indruk van de manier waarop de VS de werkloosheid beteugelen. Dat land kent als enige in de wereld een systeem waarbij te betalen WW-premie is gerelateerd aan in het verleden gemaakte uitkeringsuitgaven. Werkgevers zullen daardoor wel drie keer nadenken voor ze iemand ontslaan.

Ook andere PvdA'ers (Wallage, Melkert) hebben het afgelopen jaar hun voorkeur voor zo'n systeem van premiedifferentiatie laten blijken.

Binnen het kabinet ontstond er zelfs strijd over, zoals gebruikelijk tussen de beide antipolen Wijers (Economische Zaken) en Melkert (Sociale Zaken). Wijers is bang dat koppeling van de WW-premie aan de veroorzaakte uitkeringsuitgaven per bedrijf ten koste gaat van vooral kleinere bedrijven. Die zouden door de premiedifferentiatie op hogere kosten worden gejaagd en daardoor mensen moeten ontslaan. Het kabinet zou zichzelf met zo'n systeem van premiedifferentiatie in de staart bijten.

Volgens een door ambtenaren van Sociale Zaken gemaakte discussienota over het thema hoeft Wijers zich geen zorgen te maken. Schokeffecten in de premie voor met name kleine ondernemingen (minder dan vijftien werknemers) kunnen worden vermeden. Voor deze groep ondernemingen zou, aldus de nota Een verkenning van de mogelijkheden voor Premiedifferentiatie in de Werkloosheidsverzekering, de helft van de WW-lasten voor werkgevers (dus een kwart van de totale WW-lasten) via een bedrijfspremie gefinancierd kunnen worden en de andere helft via een uniforme premie voor alle kleine ondernemingen. In de VS kan het systeem per staat verschillen. De meeste staten kennen onder- en bovengrenzen voor de premiehoogte en beperken zo het risico per bedrijf. Het overgrote deel van de staten heeft de WW-premie afhankelijk gemaakt van de in het verleden veroorzaakte uitkeringslasten. Maar er zijn ook staten die de premie afhankelijk hebben gesteld van de uitkeringsuitgaven, als percentage van de loonsom, in de afgelopen drie tot vijf jaar.

De ambtenaren van Sociale Zaken hebben veelvuldig en diepgaand onderzoek gedaan naar de werkgelegenheidseffecten van het Amerikaanse systeem. Ze zijn tot de conclusie gekomen dat deze effecten “substantieel” zijn. Als het aan hen ligt, worden daarom ook de WW-premies in Nederland per bedrijf vastgesteld.

Op dit moment betalen alle werkgevers en werknemers mee aan de kosten van de werkloosheid. In feite subsidiëren de werknemers in bedrijven met weinig werkloosheid de bedrijven die veel werkloosheid veroorzaken (vooral bedrijven in de bouw en de industrie). Premiedifferentiatie, zo wordt in de discussienota gesteld, maakt een einde aan deze impliciete subsidiëring van industrieën met hoge werkloosheidsrisico's.

In de kabinetsdiscussie over de nota Werken met zekerheid kwam de WW meermalen aan de orde. Sinds 1993 is stevig ingegrepen in de andere werknemersverzekeringen: Ziektewet en WAO. Het kon niet uitblijven dat ook de WW op de pijnbank zou worden gelegd. Minister Wijers kwam met het voorstel van een middelloon-WW. Dat idee zou kunnen leiden tot verlaging van hoogte en duur van de WW-uitkeringen. Minister Melkert veegde het daarom uiteindelijk van tafel. Voorstellen voor een spaar- of opbouw-WW, waarbij individuele werknemers WW-rechten kunnen opsparen, kwamen wel in de nota terecht. Hét alternatief van Sociale Zaken zelf is echter premiedifferentiatie. Met premiedifferentiatie, schrijft Melkert in zijn nota Werken aan zekerheid, kunnen risico's in de sociale zekerheid specifieker worden toegerekend. “Bij het terugbrengen van het aantal ziekmeldingen hebben premiedifferentiatie en de invoering van een eigen risicoperiode een belangrijke rol gespeeld. Bij het arbeidsongeschiktheidsrisico zal dat naar verwachting eveneens het geval zijn.” De vraag is nu “of premiedifferentiatie in de werkloosheidsverzekering bedrijven kan ontmoedingen hun oudere werknemers naar de WW-regeling te laten afvloeien”. Bedrijven, schrijft Melkert, worden er wel directer door geconfronteerd met de maatschappelijke kosten die zij veroorzaken door grootschalige herstructureringen.

Het ministerie van Sociale Zaken beschouwt de geringe arbeidsparticipatie van ouderen als één van de belangrijkste sociale problemen. Zo werkte vorig jaar in de categorie 60- tot 64-jarigen nog slechts 17 procent van de mannen en 5 procent van de vrouwen.

Volgens de ambtenaren van Sociale Zaken bestaan er sterke aanwijzingen dat er bij het ontslag van werknemers vaak sprake is van een zekere mate van wederzijdse overeenstemming. In dat geval is er volgens de nota “des te meer reden om partijen met de maatschappelijke kosten van die overeenstemming te confronteren”.

Vroegtijdige pensionering via de WW wordt voor met name oudere werknemers in het geval van premiedifferentiatie “een stuk minder aantrekkelijk”, concluderen de ambtenaren, vooral als de hoogte van de premie wordt gekoppeld aan de totale in het verleden veroorzaakte uitkeringslasten.

Het syteem heeft nog meer voordelen, zo blijkt. Zo zullen ondernemingen bij de onderhandelingen over een sociaal plan sneller geneigd zijn werknemers intensieve begeleiding te geven bij het zoeken naar nieuw werk, bijvoorbeeld via outplacement of contracten met collega werkgevers.