Waarom Orfeus omkeek naar Euridice

Ik beschouw mezelf als een groot muziekliefhebber, maar ik luister zelden naar muziek. Dat komt doordat ik niet tegelijkertijd naar muziek kan luisteren en iets anders doen, en aangezien ik meestal iets anders doe, luister ik niet naar muziek. Daar komt nog bij dat ik altijd muziek in mijn hoofd heb, dus eigenlijk de hele dag luister, en dan vindt mijn geest het blijkbaar welletjes als ik hem 's avonds voorstel een cd op te zetten.

Vorige week vond-ie het echter goed, mijn geest, en ik koos Orfeo ed Euridice van Gluck (Christoph Willibald, 1714-1787), dat wil zeggen Gluck koos mij, want zo gaat dat. Ik had wel iets anders te doen, maar dat deed ik dus nu een keer niet, hoewel je je kunt afvragen of het al luisterend bestuderen van de tekst, met gevaarlijke uitschieters naar andere informatie in het bijbehorende boekje, niet een voorvorm is van iets anders doen. Het libretto is van Raniero de' Calzabigi en aan de hand daarvan kwam ik al luisterend tot de volgende theorie over de vraag waarom Orfeus omkeek.

Na zijn obool betaald te hebben, neem ik aan - hij zal de oude Charon wel niet in slaap gezongen hebben want die moest hem nog overzetten - zien we Orfeus, tokkelend op zijn lier, 'Ooehoe, Euridice!' roepend, door de Erebus dwalen. In een hoekje daarvan, gezeten op een bloemerig heuveltje, zingt Euridice, in een adembenemend mooie aria, dat ze het hier zo prachtig vindt: quest'asilo ameno e grato, deze lieflijke en aangename wijkplaats, waar, zingt ze, de zielesmarten sterven (dell'anima il dolore muore). Eerste vraag: waarom zou ze daar niet willen blijven? Ook Orfeus vindt het er prachtig mooi, dus, tweede vraag: waarom wil hij hier weg? Samen in het paradijs, wat wil je nog meer?

Ik stel me het paradijs altijd voor als het moment waarop de mens met één been uit het dierenrijk is gestapt. Genesis 2:19-20 sterkt me in die mening. Daar staat namelijk uitdrukkelijk dat Adam alleen de dieren namen geeft. Volgens mij voltrekt zich in deze daad de scheiding tussen mens en dier. Het is de geboorte van de taal en dus van het bewustzijn, althans van het begin ervan, want de mens is dan wel net geen dier meer maar nog wel één met de natuur. Zijn onschuld bestaat eruit dat hij nog niet tot moraal in staat is - hij moet de vruchten van de 'boom der kennis des goeds en des kwaads' immers nog plukken - en ook zijn partner ziet hij nog niet als de zowel raadselachtige als begeerlijke Ander. Het is een tussenstadium dat lijkt op de situatie waarin het steevast 'onschuldig' genoemde kind verkeert dat net begint te praten (door met naamwoorden zijn omgeving te benoemen). Van dier tot half-mens en, na de zondeval, van half-mens tot heel: het lijkt me de evolutietheorie op z'n bijbels. Waarom hebben de fundamentalistische christenen daar toch zoveel moeite mee?

Het eerste wat Adam en Eva doen na de zondeval is zich tegenover God schamen voor hun naaktheid en dat kan niets anders betekenen dan dat ze zich schamen voor hun seksuele begeerte. Daarmee is een tweede scheiding voltrokken, die eigenlijk de eerste - die tussen mens en dier - bevestigt en de geboorte inluidt van de cultuur: de scheiding tussen lichaam en geest, met de nadruk op de geest, het Hogere. Voor het lagere, dat ons aan het dier herinnert, dienen we ons te schamen tegenover God, de verpersoonlijking van het Hogere.

Maar ze schamen zich ook voor elkaar en daarvoor is nodig, net als voor de begeerte, dat de ander een Ander is geworden, een vreemde, een niet-ik. De mens is een identiteit geworden die zich niet alleen onderscheidt van het dier maar ook van de medemens. Er is alles voor te zeggen om onze begeerte zich met de Ander te verenigen te beschouwen als de diepe wens om al die scheidingen ongedaan te maken. We zijn het paradijs uitgegooid en moeten nu 'ins feindliche Leben hinaus' (Nietschze). Immers, er staat geschreven dat de Heere onze smarten zal vermenigvuldigen en dat wij ons brood zullen eten in het zweet onzes aanschijns. De liefde echter troost: versmelting met de Ander, opheffing van het ik. In het paradijs was dat niet nodig en bestond het derhalve ook niet.

Calzabigi's Euridice is tot die paradijselijke bijna-eenheid teruggekeerd - ze geniet van de natuur waarin ze tegelijkertijd is uitgevloeid - en herneemt, nu Orfeus haar roept en haar liefde weer ontwaakt, eerst haar vroegere schoonheid ('riprende la primiera sua belta'), wat ik uitleg als dat ze haar vroegere identiteit weer moet aannemen, want anders is ze niet tot liefde voor de Ander in staat. Niet toevallig wordt Orfeus tegenover Euridice 'un altro Eliso' genoemd, een ander soort Elysium. In de liefde vind je het paradijs terug, maar wel een ander soort - het tijdelijke.

Voor de paradijselijke kalmte ('quiete'), waarin het bewustzijn niet meer brandt, is Orfeus niet geschikt, hoewel wij die kalmte allen geregeld begeren, en sommigen van ons haar praktizeren in sektes of een klooster. Hij wil dit 'asilo' niet, hij wil niet wijken voor de gewone menselijke werkelijkheid door zijn bewustzijn uit te schakelen. Als een held van de moderne tijd wil hij de gescheidenheid aangaan, kiest hij voor het 'ongelukkige bewustzijn' (Peter Sloterdijk), dat zich moet confronteren met eenzaamheid, lijden, zinloosheid - met de dood, in laatste instantie. Hij wil dat omdat hij mens wil zijn, omdat er voor de mens niets anders opzit, omdat het paradijs niet meer bestaat. Maar zonder de liefde gaat het niet en daarom moet ze mee, Euridice, 'Ma vieni e taci', oftewel 'kom mee en klets niet zo'.

Want dat doet ze, kletsen. “Zal ik met jou meegaan, die me niet omhelst, die niet eens naar me kijkt! Zie ik er soms niet goed uit? Je hebt me nog niet terug of je verveelt je al ('t'annoia, Orfeo!').” Maar haar aankijken, dat is hem nu net verboden. Waarom kijkt hij dan toch om? Bij Calzabigi natuurlijk om haar de blik te gunnen waar zij zo om bedelt ('ma un sguarda solo'), om van haar gezeur af te zijn, maar diepzinniger is het, in het licht van het bovenstaande, te stellen dat hij haar niet aankijkt maar langs haar kijkt, om voor het laatst de vrede te zien die hij nu verlaat, de luwte die hij inruilt voor de stormen des levens. Aarzelt hij, de zanger-dichter? Wat doet dit hunkerende mensentype immers anders dan 'het elysisch verlangen' (Roland Holst) te betokkelen op zijn lier? In ieder geval wordt hij onmiddellijk gestraft. Het is het een of het ander, dichtertje, de liefde of het paradijs. Wil je van twee walletjes eten, wankel je voor de metafysische verleiding, dan ben je haar kwijt. Pfffft, daar vervaagt ze, als een mooie scène in een slechte film.

Deze strengheid lijkt op Christus' opvatting dat wie een vrouw alleen maar áánziet om haar te begeren, al overspel met haar heeft gedaan. Maar, zal Calzabigi gedacht hebben, het is ook christelijk om te vergeven, om iemand een tweede kans te bieden, dus laat hij Cupido medelijden krijgen met het barre lot van de held te moeten leven in een wereld zonder liefde, dus zonder het tijdelijk paradijs, en schenkt hij hem alsnog Euridice. De wonderschone muziek van Gluck sluit zich hierbij aan: nergens klinkt een tragische noot, ze stroomt naar het happy end, opgewekt als de eeuw die haar voortbracht.

    • Robert Anker