'Verzorgingsstaat is te zwaar om snel te groeien'

De paarse coalitiegenoten spinnen van tevredenheid over de sociaal-economische stand van zaken in Nederland. De Miljoenennota 1997 die het kabinet op Prinsjesdag heeft gepresenteerd straalt toekomstgericht zelfvertrouwen uit. Het structurele aanpassingsbeleid dat opeenvolgende kabinetten sinds begin jaren tachtig hebben gevoerd werpt eindelijk zijn vruchten af.

In Europese vergelijkingen neemt Nederland niet langer een uitzonderingspositie in wat betreft macro-economische variabelen, maar bevindt het zich in de voorhoede van economische dynamiek, banengroei, beperking van het overheidstekort en herziening van de sociale zekerheid.

Begin deze zomer gaf het ministerie van Sociale Zaken een nota uit, De Nederlandse verzorgingstaat in internationaal en economisch perspectief, waarin werd vastgesteld dat de arrangementen van de Nederlandse verzorgingsstaat een vergelijking met zeven Europese landen goed doorstaan en het nationale concurrentievermogen niet in de weg zitten. In deze krant heeft professor Bomhoff van het Nijenrodense onderzoeksinstituut Nyfer zich lovend over deze nota uitgelaten.

De samenhang tussen verzorgingsstaat en concurrentievermogen is het onderwerp van een artikel van twee Amerikaanse hoogleraren aan Harvard, Jeffrey Sachs en Andrew Warner, in het jaarlijkse Global Competitiveness Report* van het World Economic Forum. Sachs, die een naam heeft hoog te houden als eigenzinnige econoom en verkondigder van onorthodoxe ideeën, en zijn co-auteur baseren zich op een onderzoek naar honderdvijftig variabelen, verdeeld over zes categorieën (Openheid, Overheid, Financiële sector, Infrastructuur, Technologie, Management, Arbeidsmarkt en Rechtsstaat) in 49 industriële landen, opkomende landen en ex-communistische landen.

In dit artikel stellen ze de vraag of de welvaartsstaat economisch gezien nog wel levensvatbaar is. “Is het mogelijk om duurzaam 54 procent van het bruto nationale produkt (de gemiddelde omvang van de collectieve sector in de Europese Unie) te mobiliseren in een gezonde markteconomie?” En het antwoord luidt: “Het huidige stelsel van de (Europese) verzorgingsstaat blijkt een te zware begrotingslast, zelfs voor rijke Europese landen zoals Frankrijk, Duitsland en Zweden.”

Volgens het onderzoek bestaat er een direct verband tussen de omvang van de welvaartsstaat en de groei van de werkgelegenheid en de economie. Lage groei en hoge werkloosheid zijn statistisch gerelateerd aan een omvangrijke verzorgingsstaat, starheid op de arbeidsmarkt en hoge overheidsuitgaven. Als gevolg hiervan laten Europese landen gemiddeld vier procentpunten economische groei onbenut.

De conclusie luidt dat “de Europese Unie, in vergelijking met andere ontwikkelde economieën, lijdt onder de effecten van hoge belastingen, een hoog aandeel van de overheidsuitgaven in het bruto nationale produkt, inflexibele arbeidsmarkten en lage besparingen. Deze problemen zijn naar het zich laat aanzien nauw verbonden met de ambitieuze verzorgingsstaten in Europa.”

De vervlechting van de welvaartsstaat met een starre arbeidsmarkt, hoge overheidsuitgaven en collectief gefinancierde pensioenvoorzieningen leidt tot hoge belastingen, lage besparingen en uiteindelijk tot hoge werkloosheid en lage economische groei (zie schema). “Lage nationale besparingen, hoge belastingen en inflexibele arbeidsmarkten helpen echt om de lage groeipercentages in de Europese Unie te verklaren”, aldus Sachs en Warner.

De auteurs verdelen de 49 onderzochte landen in vijf groepen: de 'overslageconomieën' (Hongkong, Luxemburg, Singapore, Zwitserland), de Angelsaksische economieën (Groot-Brittannië, VS, Canada, Australië, Nieuw Zeeland), de Europese Unie (met uitzondering van Luxemburg en het VK), de Aziatische industrielanden (Japan, Korea, Taiwan, Maleisië, Thailand) en de zich hervormende ontwikkelingslanden (ex-communistische landen, Latijns Amerika, Indonesië, Filippijnen, etc).

Van de zes best presterende economieën wat betreft concurrentievermogen zijn er vijf (de zesde is de VS) relatief kleine landen met open economieën, een bescheiden overheid en lage belastingdruk (Hongkong, Singapore, Nieuw Zeeland, Luxemburg, Zwitsersland). De snelst groeiende landen zijn de Aziatische industrielanden (met uitzondering van Japan), maar dat is vooral een inhaalslag vanaf een laag inkomensniveau. Het slechtst ontwikkelde concurrentievermogen hebben de grote, logge economieën van India, China, Brazilië en Rusland. Dit stelt de vaak geventileerde angst voor de negatieve concurrentie-effecten van de mondialisering in een relativerend daglicht.

Nederland neemt in dit overzicht een bijzondere positie in. Enerzijds scoort Nederland beter dan de overige EU-lidstaten van het Europese vasteland, anderzijds doet Nederland het slechter dan landen waarmee het veel overeenkomsten vertoont, de 'overslageconomieën'. Ook Nederland is een kleine, open economie die zich heeft gespecialiseerd in handel en financiële dienstverlening, maar het behaalt aanzienlijk minder goede resultaten dan Singapore, Luxemburg, Zwitserland of Hongkong.

Dit komt omdat Nederland op enkele onderdelen van het concurrentievermogen extreem lage beoordelingen krijgt. Wat betreft de omvang van de overheidsuitgaven, de bruto lastendruk, de wig (het verschil tussen bruto en netto inkomen), de regels voor het minimumloon, de ontslagprocedures en het algemeen verbindend verklaren van CAO's doet Nederland het in de vergelijking met de 49 landen buitengewoon slecht. Deze factoren remmen het Nederlandse concurrentievermogen en daarmee de groei van de economie en de werkgelegenheid.

Nu hadden Sachs en Warner voor hun onderzoek nog niet de beschikking over de voornemens van het paarse kabinet voor 1997. Het beleid richt zich juist op voorzichtige verbetering van deze elementen. Maar veranderingen gaan langzaam en het verzet tegen verdergaande aanpassingen lijkt nu al groter te worden. Terwijl het kabinetsbeleid net zijn uitwerking begint te krijgen en de Nederlandse economie hierdoor iets beter presteert dan die van de omringende landen.

Niets staat Nederland in de weg om zich een plaats te verwerven bij de beste tien ter wereld wat concurrentievermogen betreft. Nederland heeft de typische structuur en ideale geografische ligging van een overslageconomie en daar is niets mis mee. Het inkomen per hoofd van de bevolking in Singapore, Hongkong, Zwitserland, Luxemburg en over enkele jaren ook Taiwan, Maleisië en Korea is hoger dan in Nederland. Dat moet toch een aansporing zijn om op de ingeslagen weg door te gaan.

* World Economic Forum, The Global Competitiveness Report 1996, Genève, 1996.