Scholing op kosten van de baas

Wie zijn kennis niet op peil houdt, krijgt het moeilijk bij het vinden van een andere baan. De meeste werknemers hebben daarom volgens hun CAO recht op scholing.

De Ahold-medewerker die dierenpensionhouder wilde worden, kreeg de kosten van de cursus niet vergoed, evenmin als zijn collega die voor wielercoach wilde doorstuderen. Maar verder betaalt het detailhandelsconcern Ahold met liefde voor de bijscholing van zijn personeel. “Zolang de cursussen maar herkenbaar zijn binnen Ahold of bijdragen aan je algemene ontwikkeling”, schrijft het concern in een brochure. Dan mag het ook wat kosten: veel opleidingen worden volledig door Ahold betaald, voor meer vrijblijvende cursussen kan de werknemer vijftig procent van alle studiekosten, inclusief boeken en reizen, vergoed krijgen.

De meeste bedrijven in Nederland bieden hun werknemers tegenwoordig de mogelijkheid gedurende de loopbaan hun kennis bij te spijkeren. In driekwart van de bestaande CAO's hebben werkgevers en vakbonden daarover in de loop van de jaren afspraken gemaakt. Circa 2,6 miljoen werknemers vallen onder een CAO met een 'scholingsparagraaf'.

De inhoud van deze scholingsparagrafen verschilt echter sterk per bedrijf en per bedrijfstak, zegt FNV-medewerkster Ike Overdiep. “Bij het ene bedrijf kunnen werknemers alleen een middag vrij krijgen om een examen te doen, terwijl bij het andere bedrijf werknemers regelmatig een aantal dagen mogen wegblijven om een cursus te volgen.” Ook over de financiële bijdrage van de werkgever zijn de CAO's zeer uiteenlopend. Sommige ondernemers vinden dat ze al genoeg inleveren als de werknemer scholing ontvangt in de tijd van de baas, anderen betalen zonder morren duizenden guldens mee.

Om werkgevers te dwingen geld opzij te zetten voor scholing hebben de vakbonden in veel bedrijfssectoren en ondernemingen gehamerd op de oprichting van zogeheten Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fondsen). Alle werkgevers die onder de betreffende CAO vallen, moeten jaarlijks een bijdrage in zo'n fonds storten - variërend van 0,2 tot 1,5 procent van de loonsom per bedrijf. Bedrijven die kunnen laten zien dat hun werknemers scholing ontvangen, krijgen een deel van de kosten hiervan terugbetaald. Op dit moment zijn er 65 van dergelijke opleidingsfondsen in Nederland actief, met een gezamenlijk jaarlijks budget van circa 500 miljoen gulden.

Een fonds alleen is echter bij lange na niet voldoende om de scholingsinspanningen op te voeren, zo hebben de vakbonden de afgelopen jaren tot hun teleurstelling geconstateerd. Vrijwel alle fondsen weten jaarlijks geld over te houden doordat het aantal aanvragen voor vergoedingen achterblijft. Werknemers weten vaak niet waar ze recht op hebben en de werkgevers staan niet te springen om hun personeel op dit gebied wijzer te maken. Niet alleen is het lastig als een werknemer een paar dagen niet op zijn normale plek aanwezig is, maar bovendien stapt hij na zijn cursus wellicht voor een hoger salaris over naar de concurrentie.

Werknemers die naar hun baas luisteren en niets aan bijscholing doen, worden hiervoor volgens de vakbonden uiteindelijk niet beloond. Wanneer na enkele jaren blijkt dat de werknemer niet in staat is te werken met moderne apparatuur of geen kaas heeft gegeten van nieuwe verkooptechnieken, loopt hij het risico van de ene op de andere dag op straat te staan. Hetzelfde geldt wanneer het bedrijf moet reorganiseren of failliet gaat. Wie er dan niet voor heeft gezorgd dat zijn kennis op peil is gebleven, zal nog maar moeilijk een baan op redelijk niveau kunnen vinden.

De vakcentrale FNV vindt scholing een van de belangrijkste thema's voor de komende CAO-onderhandelingen. Op dit moment hebben werknemers gemiddeld recht op twee dagen scholingsverlof per jaar; de FNV-onderhandelaars willen er bij de werkgevers voor pleiten dat dit aantal geleidelijk wordt opgetrokken tot tien dagen. Verder is het volgens de FNV belangrijk dat werkgevers zich beter gaan houden aan al bestaande afspraken over scholingsmogelijkheden. “Werknemers die een cursus willen volgen moeten dat nu meestal via hun chef aanvragen. Die heeft het laatste woord. Wij willen toe naar een situatie waarin de wens van werknemer altijd wordt gehonoreerd, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen”, aldus Overdiep.

Wie al over een behoorlijke vooropleiding beschikt komt eerder in aanmerking voor extra scholing dan ongeschoolde collega's, constateert de FNV-onderzoekster. Zo komen ook jongere werknemers er meestal aanzienlijk beter vanaf dan ouderen. Voor de groeiende groep werknemers met tijdelijke contracten zijn cursussen op kosten van de baas vrijwel helemaal uitgesloten. Overdiep: “Scholing komt nu voor 80 procent terecht bij werknemers met ten minste een MBO-opleiding, die tussen de 25 en 45 jaar oud zijn en over een vast arbeidscontract beschikken.” De FNV wil dat ook de werknemers aan de onderkant van de bedrijven, de ouderen en de contractanten gestimuleerd worden om hun kennis op een hoger peil te brengen. “Dat zijn juist de meest kwetsbare groepen. Bij de volgende reorganisatie liggen zij er als eersten uit”, zegt Overdiep.

Bij de meeste bedrijven bepaalt de chef niet alleen of de werknemer een cursus kan volgen, hij beslist ook welke opleiding dat zal zijn. Ook daar moet wat de FNV betreft een einde aan komen: scholing moet geen plicht zijn, maar een recht.

Als werkgevers het serieus menen dat werknemers zich ook moeten voorbereiden op een baan buiten de organisatie, dan horen die werknemers volgens de vakbond ook het recht te hebben zelf te bepalen welke opleiding ze daarvoor nodig hebben. In de CAO voor de banken en bij Akzo Nobel zijn dergelijke afspraken al opgenomen - al leveren ook die niet altijd de gewenste resultaten op. Zo mocht een medewerkster bij Akzo Nobel een opleiding tot pedicure volgen, maar dan moest ze bij personeelszaken wel alvast de datum noemen waarop ze haar baan zou inruilen voor een eigen schoonheidssalon. De vrouw weigerde haar ontslagbrief te tekenen, waarop ook de vergoeding voor de cursus werd afgewezen.