Scepsis èn lof voor plan flexiprof

Het plan om 'flexiprofs' te benoemen wordt met enthousiasme én met scepsis onthaald. “Het zal moeilijk worden geschikte mensen te vinden.”

ROTTERDAM, 26 SEPT. “Het is geen sinecure een hoogleraar te ontslaan die vijftien jaar in dienst is van de universiteit”, zegt prof. mr. P.F. van der Heijden, hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam en tot voor kort decaan van de rechtenfaculteit. “En het is evenmin gemakkelijk om aan te tonen dat een hoogleraar onder de maat presteert.”

Het voorstel van het Amsterdamse college van bestuur om hoogleraren niet langer voor het leven te benoemen, vindt Van der Heijden “geen slecht plan”. Maar hij voorziet wel problemen in de uitvoering. De rechtspositie van een hoogleraar moet, in overleg met de vakorganisaties, aanzienlijk worden veranderd. “Dat zal veel tijd vergen”, voorspelt Van der Heijden.

Het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam stelde vorige week voor hoogleraren te benoemen voor de duur van tien tot hooguit vijftien jaar. Een hoogleraar die niet goed heeft gefunctioneerd kan volgens de plannen weer universitair docent worden. Met de invoering van zo'n 'flexiprof' hoopt het Amsterdamse college te komen tot een flexibeler organisatie die “meer gericht is op kwaliteit”, staat omschreven in het concept-Instellingsplan 1997-2001.

Maar er zijn meer argumenten die het bestuur aanvoert. Jong hoogleraartalent komt sneller aan het werk als er flexiprofs zijn. “Dat is een verkeerd middel voor een overigens goed doel”, zegt Van der Heijden. Feit is dat een grote groep hoogleraren de weg blokkeert voor de aanstelling van jonge, veelbelovende wetenschappers. Maar, benadrukt Van der Heijden, op zijn faculteit functioneert het gros van de hoogleraren goed. “Als men jong talent wil benoemen tot hoogleraar, moet je meer plaatsen creëren. Daar is geen flexiprof voor nodig.”

Een ander praktisch probleem voorziet de Utrechtse universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht, dr. L.F.M. Besselink (41). Hij geldt in juridische kringen als 'professorabel' - een jong talent dat in aanmerking komt voor een hoogleraarschap. “Het zal heel moeilijk worden om geschikte mensen bereid te vinden”, waarschuwt hij. “Zeker als hun aanstelling maar voor een bepaalde periode geldt. Dat is op sommige deelgebieden van de rechtsgeleerdheid nu al een probleem.” Veel getalenteerde juristen verkiezen een goedbetaalde carrière in de advocatuur of het bedrijfsleven boven een lager betaalde universitaire loopbaan. Die onaantrekkelijkheid zou opgevangen kunnen worden met een hoger salaris, oppert de Utrechtse hoogleraar rechtstheorie, Prof. mr. A.M. Hol. “Daarom functioneert in de Verenigde Staten een dergelijk systeem van flexiprofs zo goed.”

Een goede ontwikkeling noemt dr. P.H. Franses het plan van de Amsterdamse Universiteit. Hij is secretaris van de Vereniging van Academie-onderzoekers, die zich inzet om jonge academici aan werk te helpen. Volgens hem zal het voorstel “voor meer beweging” zorgen binnen de universiteiten. De kansen voor jong talent nemen toe. “Bij jonge mensen is de output nu eenmaal groter dan bij oudere hoogleraren. Een flexibel contract stimuleert de jonge wetenschapper tot beter onderzoek. Zeker nu prestaties veel vaker worden gemeten”, aldus Franses.

Nieuw is het plan voor de AbvaKabo. Landelijk vakbondsbestuurder E. Ros, die onderhandelt over de CAO met de vereniging van universiteiten VSNU, benadrukt dat flexibilisering niet van één kant moet komen. Naar haar idee legt het Amsterdamse universiteitsbestuur flexibilisering eenzijdig op aan werknemers. Beter zou het zijn, als de universiteit haar personeel ook de mogelijkheid biedt taken te wisselen zonder dat dat ten koste gaat van de vaste aanstelling. Daarnaast vreest Ros dat de deeltijdaanstelling van een hoogleraar de kwaliteit onder druk zet. “Alle kans dat iemand de aandacht richt op de dag van morgen. En dat gaat ten koste van het eigenlijke werk.”

Toch heeft plaatsvervangend voorzitter van het Amsterdamse universiteitsbestuur, dr.S.J. Noorda, er alle vertrouwen in dat zijn plan zal worden uitgevoerd. Angst voor onvervulbare vacatures heeft hij niet. “Een kenmerk van een goede wetenschapper is dat hij genoeg zelfvertrouwen heeft om tijdens zijn universitaire loopbaan uiteenlopende taken te verrichten. Die mensen zullen wij beslist aan onze universiteit kunnen binden. Iemand die vreest voor een veilig bestaan is daar niet geschikt voor.”

Het gaat zijn bestuur niet zozeer om de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek te verbeteren, als wel om de horizontale mobiliteit binnen de universiteit “vanzelfsprekender” te maken. Uiteindelijk wil het college dat alle wetenschappelijke medewerkers een vaste aanstelling krijgen als universitair docent.

Maar één ding is zeker, aldus Noorda. “De uitwerking van ons voorstel zal nog veel voeten in aarde hebben.”