Leve de calculerende student

Hoger opgeleiden verkeren op de arbeidsmarkt in een betrekkelijk gunstige positie. Aan de universiteiten en hogescholen lijkt dat niet tot vreugde te stemmen. Ten onrechte. De prestatiebeurs en de beknotte universitaire democratie zullen de student tot voordeel strekken. Keuzegids Hoger Onderwijs, verzamelbundel ƒ 35,-, deelgidsen ƒ 12,50.Inlichtingen: uitgeverij Onderwijspers. Telefoon (071) 5 79 75 55.

Kille cijfers tonen het aan. Hoger onderwijs is goed voor een mens. Het aantal banen in Nederland is de afgelopen twee à drie jaar flink gegroeid. Lager opgeleiden profiteren daar nauwelijks van mee. De alumni van het middelbaar beroepsonderwijs hebben hun kansen mild zien stijgen. De sterkste groei valt te noteren voor afgestudeerden in het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs.

In het HBO schitteren de opleidingen voor accountancy en bedrijfsinformatica, aan de universiteiten lonkt de toekomst voor medici, technici, agrarici en theologen. Zelfs HBO-kunstenaars en WO-agogen, wier beroepskansen tot voor kort weinig gunstig waren, zouden de tucht van de arbeidsmarkt veel minder hoeven vrezen.

Eindelijk goed nieuws over de hogescholen en universiteiten. Want wat een ellende heerst daar overigens! Door bezuiniging na sanering zijn de universiteiten uitgekleed tot op het bot. Mede als gevolg daarvan houdt een kongsie van bureaucraten en winst najagende kennismakelaars de instellingen voor Hoger Weten al jarenlang in een wurgende greep.

Het hoger beroepsonderwijs levert intussen een taaie emancipatiestrijd om erkend te worden als een gelijkwaardige partner naast de eerbiedwaardige academiën. Helaas telt het HBO nog heel veel zwakke plekken, getuige de ene kritische beoordeling na de andere door de Onderwijsinspectie. Onlangs nog meenden de hogescholen dat ze in het buitenland university moeten heten. Vertalingen van het woord hogeschool zouden tot verwarring leiden. Het is hun jongste staaltje van academic drift, waarover de universiteiten zich not amused toonden.

Het zijn zo van die stammenstrijdjes, waar de gemiddelde student weinig last van heeft. Maar er is meer aan de hand, veel meer. Het is deze maand spannend geweest in de Tweede Kamer, waar de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zwaar onder vuur werd genomen bij een manhaftige poging de vertegenwoordigers van studenten te verwijderen uit de stroperige bestuursraden. Een milde nazomerbries van protesten ging door het land. Het Amsterdamse Maagdenhuis beleefde zijn zoveelste rituele bezetting. In het parlement werd op bijna religieuze toon gesproken over de democratische verworvenheden uit de vaderlandse geschiedenis omstreeks 1970, die zomaar overboord werden gezet. Maar de minister kreeg zijn zin. Studenten aan de universiteiten zullen voortaan een toontje lager zingen - waarmee zij overigens op gelijke hoogte komen met de HBO-collega's die het nimmer verder hebben geschopt dan medezeggenschap.

En wat erger is. Nieuwe studenten leven sinds 1 september onder het regime van de prestatiebeurs. Vroeger kon je studeren tot je een ons woog, zeven, acht jaar, eeuwig zelfs: pa en de Staat betaalden en geen haan die ernaar kraaide.

Alles wordt minder, alles moet langs de meetlat. De meeste studies zijn tegenwoordig dusdanig geprogrammeerd dat zij precies vier jaar duren. (Voor technische studies staat nu vijf jaar.) De wet schrijft voor dat studiejaren zich laten omrekenen in studiepunten. Een gemiddelde studie aan hogeschool of universiteit telt 4 x 42 punten = 168 punten. Wie in het eerste jaar minder dan 21 punten scoort, moet de studiebeurs met rente terugbetalen. Na het eerste jaar volgt nog hooguit drie jaar recht op studiefinanciering. Wie dan nog niet klaar is, zal anderszins de middelen bijeen moeten zien te schrapen: werken, lenen of toch maar het familiekapitaal aanspreken.

De tragedie is nog niet compleet. Want iedereen weet dat de kwaliteit van het onderwijs in talloze faculteiten aan hogeschool en universiteit veel te wensen overlaat. De hogescholen herbergen te veel praktijkdocenten met te weinig beroepservaring. De theoretische onderbouwing van veel HBO-opleidingen is ronduit mager. De universiteiten slepen te veel stafleden met zich mee die matige wetenschappelijke aspiratie paren aan geringe didactische inspiratie. Slepende hoorcolleges, volgeleuterde werkcolleges en halfbakken beoordelingen ('iedereen een voldoende, voor de lieve vrede') zijn het gevolg.

Het is een wezenlijk probleem, dat hoog op de politieke agenda staat - verpakt in watten vol bureaucratische neologismen. Minister Ritzen zelf geeft leiding aan een 'Stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid'. Er is inmiddels een half miljard gulden gestort in een fonds voor investeringen in beter onderwijs. Een commissie heeft dit jaar 1.450 'projectaanvragen' beoordeeld, waarover deze maand een kloek rapport is verschenen. Driekwart van de aanvragen is na weging zwaar genoeg bevonden. Studentenleiders tonen zich sceptisch. Zij zijn bang dat de faculteiten het extra geld te veel zullen bestemmen voor het aanschaffen van nieuwe computers met Internet-aansluitingen en te weinig voor het aanpakken van hun wanpresterende docenten. Studenten zullen, kortom, aan de universiteiten minder te vertellen hebben dan vroeger. Evenals hun collega's aan de hogescholen moeten ze leven met krappere studiebeurzen. En het valt nog te bezien wat er zal terechtkomen van de opknapbeurt die het onderwijs krijgt.

Stemt dit alles somber? Nee, integendeel. Bij alle krokodillentranen die dezer weken zijn gehuild over het knevelen der universitaire democratie heeft een kalme evaluatie van de afgelopen 25 jaar, waarin studenten zitting hebben gehad in alle mogelijke raden, opvallend weinig aandacht gekregen. Welke goede werken zijn te noteren na ruim een kwart eeuw 'bestuurlijke studentenparticipatie'? Beter onderwijs wellicht? Of een rechtvaardiger, ouder-onafhankelijk stelsel van studiefinanciering?

De organisaties van studenten roepen dat ze niet willen verworden tot consumentenbonden. Niet duidelijk is wat daarop tegen zou zijn. Deze week is de editie '96-'97 van de Keuzegids hoger onderwijs verschenen, waarin glasheldere rapportcijfers worden toegekend aan de vele honderden hogere opleidingen die in Nederland te volgen zijn. Gedegen onderzoek door een serieus bureau ligt aan deze gids ten grondslag. Een redactie omkleedt de naakte feiten met klare taal. Zij waarschuwt voor valse voorlichting en softe pretstudies.

Wie te kiezen heeft, kiest simpelweg niet voor een slechte opleiding. Dat zet meer zoden aan de dijk dan eindeloos meevergaderen. Universiteiten en hogescholen krijgen geld van de overheid op basis van de aantallen studenten die ze binnenhalen en vervolgens gediplomeerd weer afleveren. Reken maar dat de stem van studenten wordt gehoord als ze massaal het kreupelhout aan hogeschool en universiteit mijden.

De beste opleidingen in het hoger onderwijs zijn vaker buiten de Randstad te vinden dan daarbinnen. Jammer voor Amsterdam, Delft, Leiden, Rotterdam en Utrecht, maar u scoort grosso modo slechter dan Maastricht, Driebergen en Emmen. Dat vinden 1.250 geënquêteerde studenten, diverse visitatiecommissies en de Onderwijsinspectie. In Wageningen is men - na chaotische jaren - hard op weg beter onderwijs te bieden.

Het zijn enkele grote lijnen uit vele honderden pagina's vol plussen en minnen. “Niemand weet nog goed de weg in het woud van 272 (!) universitaire opleidingen.” De Keuzegids helpt een eind op weg. Eindelijk heeft Nederland een vorm van ranking waarin de Angelsaksische universiteiten zo'n rijke traditie hebben.

De prestatiebeurs dwingt af dat studenten hun keuzes maken als koele calculerende burgers. De Staat der Nederlanden houdt niet meer van studenten die de mooiste tijd van hun leven graag een beetje rekken met extra keuzevakjes, bestuursfuncties en stelselmatig laat naar bed gaan. Aldus krijgt de natie een studentenpopulatie die zij verdient: kredietwaardig maar veeleisend.

Met de arbeidsmarkt was het al goed gekomen. Het hoger onderwijs zal spoedig volgen.