Klassenstrijd is impotent antwoord op marktdenken; Linkse kritiek blijft te vaak steken in algemeenheden

Opvallend bij het demasqué van wat wel genoemd werd het 'reëel bestaande socialisme' is het gebrek aan reflectie bij de aanhangers van het socialistisch gedachtegoed. De Muur valt, de beerput is nu voor een ieder zichtbaar, maar een constante in het linkse denken blijft: de bedoelingen waren goed, de uitwerking voor verbetering vatbaar. Een periode van een kleine 75 jaar volkomen grauwheid en misdadigheid wordt zo ontdaan van een gruwelijk masker.

Als ik zeg 'gebrek aan reflectie' doel ik ook op de critici van het kapitalistische produktieproces, of om het iets actueler uit te drukken, het marktdenken. De betrekkelijke eenvoud van waaruit men, soms terecht overigens, lopende zaken bekritiseert is onthutsend. Gevoel voor verhoudingen, voor de dimensie van een bepaald probleem is vaak afwezig. Als het al zo is dat het idee van de vrije markt triomfantellijk rondtrekt, dan in ieder geval mede dankzij het gebrek aan kwalitatieve tegenargumenten. In cultuurfilosofische beschouwingen trekt men, gelijk Don Quichotte tegen de windmolens, ten strijde tegen het euvel dat vrije markt heet.

Schrijnend werd dat in beeld gebracht toen in Oost-Duitsland, na de val van de Muur, nog een poging werd ondernomen het socialistische karakter van de voormalige 'Ostzone' te behouden. De 'Alternativen' hadden wel Berthold Brecht, maar een econoom die aangaf hoe het goede van de DDR zou kunnen worden behouden onder gelijktijdige invoering van de individuele vrijheid, en dus vrije markt, ontbrak. Niet alleen de econoom, ook het denken was niet thuis en Brecht, zo bleek pijnlijk, had geen economie in zijn pakket. Een redelijk alternatief voor het Westduitse systeem was er niet. De critici volstonden met wat simpele opmerkingen uit de oude antifascistische doos over een bezetting dan wel annexatie door het Westduits grootkapitaal. Dit alles zou geen probleem zijn, ware het niet dat achter de arrogantie - de minachting, vaak - waarmee het marktdenken werd bejegend, een gebrek aan inhoudelijke argumenten schuil ging. Een zo abstract mogelijke beschouwing vervangt een commentaar op dat marktdenken en probeert zich tegelijkertijd aan de goede kant van de morele grens te positioneren. Over het welvaartsniveau, het hoge voorzieningenpeil en de toch redelijk functionerende samenleving geen woord. Het is kommer en kwel bij de cultuurpessimisten.

Na lezing van het artikel van Milo Anstadt bekruipt mij een dergelijk gevoel van onbehagen; deze kritiek op het marktdenken is eerder gehoord. Anstadt meent dat nu de Sovjet-Unie is weggevallen iedere rem op een zich ongebreideld verrijkend kapitaal ontbreekt. De jongens van de vrije markt hebben vrij spel en richten de samenleving in volgens de regels van het spel. Rechtvaardigheid past daar niet in. Het gevolg is: massaontslagen en een toenemende kloof tussen rijk en arm.

Om een en ander nog kracht bij te zetten worden de filosofen Friedrich Nietzsche en Karl Marx in stelling gebracht. Het betoog krijgt daarmee een forse moralistische injectie. Tevens plaatst Anstadt zich in die rijke traditie van critici die het vrije-marktsysteem vanaf de zijkant becommentariëren, zonder echt in debat te treden. De tweedeling die Anstadt ontwaart in de samenleving wordt moreel veroordeeld. Marx daarnaast aangeprezen als nieuwe inspiratiebron voor de lijdende onderklasse. Dat is het dan.

Aldus schetst de auteur een beeld van een verpauperende samenleving waarin elementair vuistrecht de overhand dreigt te krijgen. Alleen degenen die marktgeoriënteerd zijn, kunnen toetreden tot het gilde der pugilisten; een groter gedeelte onmachtigen ziet toe hoe het gouden kalf wordt geslacht en gaat uit onmacht over tot al die vervelende dingen, zo kenmerkend voor ons soort samenlevingen. Bij al dat slechte speelt, volgens Anstadt, de econoom een hoofdrol. Zij zijn het die louter gefixeerd zijn op de ruilwaarde-producerende aspecten van de economie. Als iets niet in een markt- en prijsvorming past dan valt het buiten de economie en wordt het niet in produktie genomen.

Marx wees op het zogenaamde gebruikswaarde-karakter van goederen en het menselijk belang ervan; vrije markten zouden niet afdoende in staat zijn aan bestaande behoeften te voldoen. De econoom nu, fungeert in het beeld van zowel Anstadt als Marx als drager van die slechte, eenzijdige ruilwaarde-gedachte. Economen vormen de priesterkaste van het kapitalisme. Anstadt gaat nog een stapje verder en schrijft economen een politiek dwingende macht toe. Als echte gelovigen staren economen naar hun eigen speeltjes, goochelen met kunstmatige constructies, die weinig tot geen wetenschappelijke waarde bezitten, maar die op politici een betoverende werking schijnen te hebben.

Een paar zaken nu. Net als bij oudere criticasters ontbreekt bij Anstadt ook maar een poging tot zoiets als inhoudelijk commentaar. Aangegeven had moeten worden waar het marktdenken faalt en welke remedie passend is, zodanig dat het totale welvaartsniveau behouden blijft en gefinancierd kan worden.

Hij had ideeën moeten aandragen over een welvaartssysteem dat dreigt te ontsporen door, misschien wel, een te beperkte opvatting van rechtvaardigheid; over een sociaal-zekerheidsstelsel dat langdurig niet alleen als vangnet maar ook als redelijk comfortabele hangmat heeft gefungeerd; over het moeizame zoeken naar een evenwicht tussen markt- en overheidsbeleid. Daarover zou een debat moeten gaan; op dat front hoort een kritiek op de vrije markt thuis.

Nu verschuilt Anstadt zich achter een abstracte cultuurfilosofie. Een filosofie van het lekkere gevoel; scheer alles over één kam, maak het zwart, zet er vervolgens wit tegenover (Het is in de nacht dat alle koeien zwart zijn, aldus de filosoof G.W.F. Hegel). Een dergelijke eenvoud heeft tot voordeel dat men, in dit geval Anstadt dus, aan de kant kan blijven staan. Politiek en economisch engagement via de abstracta van de filosofie.

Ondertussen wordt in economenland verschillend gedacht over de produktie en verdeling van welvaart. Sommige economen, en daarin heeft Anstadt gelijk, menen de waarheid in pacht te hebben. Het merendeel echter ploetert moeizaam voort. In een razendsnel veranderende wereld probeert men theorieën te ontwikkelen. Soms goed, soms slecht, het zijn mensen.

Maar ook hier gaat de theorie van de versimpelende eenvoud niet op voor Anstadt. Als het zo is dat economen te beperkt bezig zijn, iets niet goed zien, verkeerde hypothesen stellen - allemaal denkbaar - dan moet het een uitdaging zijn te komen tot verbeterde versies van die eventueel verkeerde opvattingen. Een uitdaging die door de denkende minderheid van dit kleilandje opgepakt moet worden.

De voorwaarden zijn eenvoudig: een redelijke welvaart onder behoud van de individuele vrijheid.

En nu concreet graag!