Juppé wil Franse somberheid temmen

PARIJS, 26 SEPT. Frankrijk lijdt al maanden aan een kwaal die hier algemeen wordt aangeduid als 'morosité', volgens het woordenboek zwaarmoedigheid, gemelijkheid. In de werkelijkheid van dit moment gaat het vooral om een taai, nationaal gevoel van onbehagen en onvermogen. Het uit zich in de media, in de economie en dus ook in de politiek.

Frankrijk is, sinds generaal De Gaulle de grondwet in 1958 naar zijn hand zette, geen Italië meer. Regeringen vallen niet om de haverklap, de regeringsmeerderheid in het parlement is meestal groot en machteloos. Dat premier Juppé volgende week toch de vertrouwenskwestie wil stellen, wijst niet op een acute politieke crisis. Het is meer een wanhoopsgebaar van een bestuurder die zijn gelijk niet kan krijgen.

'Juppé daalt nog sneller dan de belastingen', was de opgewekt-morose kop die Libération gisteren op de voorpagina afdrukte om aan te duiden dat het aanzien van de minister-president opnieuw in een duikvlucht terecht is gekomen, terwijl hij de Fransen juist bij hun terugkeer van zon en zee hoopte te verblijden met een verlaging van de inkomstenbelasting. Het blijkt dat ze hem niet geloven: roken en rijden wordt duurder. Drinken ook, al is wijn vrijgesteld van de accijnsverhoging - er marcheren al genoeg boze Franse boeren over straat.

Als Juppé keldert in de peilingen daalt Chirac meestal mee, maar wat minder. Chirac trekt 55 procent negatieve en 31 procent positieve reacties. Juppé heeft met 61 procent negatieve opinies een nog lager aanzien dan de premiers Cresson in 1992 en Bérégovoy in '93, vlak vòòr de verpletterende verkiezingsnederlaag van zijn socialisten.

Sinds Chirac in oktober 1995 besloot alles op alles te zetten om de overheidstekorten te beperken tot Europees goedgekeurde niveaus, heeft Frankrijks bestuursduo al heel wat stakingen en alarmerende cijfers aan zich voorbij zien trekken. Ondanks of dankzij allerlei interventionisme is de groei uit de economie en blijft de werkloosheid oplopen (nu 12,5 procent). Het omvormen van het kwakkelende staatsbedrijvenpark (Air France, de spoorwegen, Crédit Lyonnais en andere banken, de defensie-industrie) kost veel meer tijd en geld dan Juppé en Chirac hebben.

Des te meer steekt het dat de eigen regeringscoalitie steeds openlijker mort. Voorlopig komt de kritiek vooral van de baritons uit de vorige rechtse regering, die wegens 'balladurisme' buiten Juppé's ploeg zijn gelaten: Balladur zelf, ex-politieminister Pasqua en super-liberaal Madelin voorop. Kamervoorzitter Séguin bast nog steeds zijn solo's over 'een andere economische politiek', zonder EMU-criteria, met een zwakkere franc om de industrie weer vleugels te geven. Deze geluiden krijgen meer gehoor bij geestverwante parlementariërs. Dat bleek de afgelopen dagen toen Juppé's coalitiepartners uit de UDF in Deauville bijeen waren.

Deze liberalen en christen-democraten hadden als gastspreker de minister-president uitgenodigd. Juppé was graag gekomen om de troepen in nazomerse omstandigheden te verenigen. Als tractatie bracht hij nieuwe voorstellen mee om de illegale immigratie beter aan banden te leggen.

De regeringspartijen volgen met zorg hoe het Front National oprukt, en nu zij de economie vòòr de Kamerverkiezingen van 1998 niet meer echt zien opknappen, willen zij de schade op de rechtervleugel beperken door zelf een hard immigratie-beleid te voeren, hèt favoriete thema van de gefrustreerde burgers die overwegen op Le Pen te stemmen.

Deauville was geen ontspannen uitje voor Juppé. Van alle kanten kreeg hij de wind van voren. Zijn belastingplannen werden weggeblazen. Het idee van een nieuwe wet om racistische uitingen van extreem-rechts te kunnen aanpakken kreeg weinig steun. En men zag even weinig in Juppé's suggestie om in het kiesstelsel wat evenredige vertegenwoordiging te injecteren. De oudgediende senaatsvoorzitter René Monory noemde het 'electoraal knoeien': “Laten we niet harder proberen te lopen dan Le Pen”. UDF-voorzitter François Léotard (minister van defensie onder Balladur) vond dat het leek “op een regering in paniek die zijn huid tracht te redden door de spelregels te veranderen”. Vandaag riep zelfs een vooraanstaand RPR-partijgenoot van Juppé op tot verandering van minister-president.

De premier, die pleit voor het sluiten der rijen (“Onze doodsvijand is verdeeldheid en afvalligheid”), rest niets anders dan een vertrouwensvotum in beide Kamers van het parlement te vragen, “om het contract te vernieuwen dat ons bindt, vooral in de ogen van het publiek”. Volgende week zal Juppé die steun van 'zijn' vier-vijfde meerderheid wel krijgen, ook al sprak oppositieleider Jospin gisteren over “het echec en het kiezersbedrog van deze regering”. Maar of steun in het parlement iets zegt over de aanhankelijkheid van het publiek is de vraag.

Keihard staken zit er voorlopig niet in, de 24 stakingsdagen van vorig najaar zijn amper afbetaald. Maar de Fransen laten zich evenmin snel overtuigen door de slimme reken- en redeneerkunsten van een premier die hun hart niet weet te bereiken. Echte offers brengen en hervormingen aanvaarden, zoals Duitsers, Nederlanders, Scandinaviërs en Britten al een jaar of tien hebben leren doen, daar moeten Fransen nog toe worden gebracht. Voorlopig domineert overal het deelbelang. Artsen, piloten, telefoon-, en spoorwegwerkers, allemaal zien ze de bui hangen. Zo lang niemand de magische toon heeft gevonden om Frankrijk te verleiden tot modernisering zal de morosité nog wel even voortduren.

Franse socialisten, communisten, groenen en radicalen zouden vandaag bij elkaar komen om een links antwoord te formuleren op het toenemend succes van het extreem-rechtse Front National (FN). Ze willen een gemeenschappelijke strategie vaststellen om het racistische appèl van het FN te weerleggen. Uit peilingen blijkt dat 51 procent van de Fransen wel iets ziet in de ideeën van het front. De partij van Jean-Marie Le Pen is de grootste in arbeiderskringen.