In Liefde Bloeyende

Joan van den Heuvel (1858-1915)

HET BEESTENHOK Mijn vader was een wijs man

Stil, in zich zelf gekeerd

Die met zijn handen werkte

En 's zondags ijv'rig kerkte;

Ik hield hem voor geleerd.

Eens... heden denk ik ereis d'ran;

Zo'n zomermiddag was 't...

'k Zat in de binnenkamer

Luist'rend naar vaders hamer

Bij d'altijd dichte kast.

Juist toen kwam vader binnen

met opgestroopte mouw.

Ik trad schroomvallig nader:

Wat bergt de kast toch, vader?

Toe, vader, zeg het nou!

Hij stond maar kort te zinnen.

Toen heeft hij dit gezeid:

Daar achter zitten beesten

Van d'ergste meest gevreesde:

En ieder beest, dat bijt.

Ik bleef verschrokken staren

Daar vader nooit bedroog;

Doch moest ik wel bedaren

Toen 'k nimmer kon ontwaren

Dat enig beest bewoog.

Ik kon 't mij niet verklaren;

Toch bleef de vrees mij bij.

Eens kwam ik aangelopen.

De binnenkast stond open.

Ik zag een boekenrij.

De velen wellicht onbekende Joan van den Heuvel, die in werkelijkheid J.M.W. van der Poorten Schwartz heette, publiceerde 'Het beestenhok' een jaar voor zijn dood in een bundel met Nederlandse gedichten, nadat hij in Engeland - schrijvend in het Engels en onder een ander pseudoniem, Maarten Maartens - allang een bekend romancier was. Nog één keer keerde hij naar zijn moedertaal terug, en naar herinneringen aan zijn vader.

Een vader die, zo leert ons het gedicht, 's zondags ijv'rig kerkte.

We denken onmiddellijk aan een man met Eén Boek.

Maar zijn vader was ook 'een wijs man', vertelde ons Van den Heuvel al in de eerste regel, en uit de slotregel blijkt dat hij er meerdere boeken op nahield. Getemd en gekerkerd weliswaar, maar niettemin 'een boekenrij'.

Het Ene Boek versus de Vele Boeken.

Voor de man met het Ene Boek is het zo dat duizend verschillende boeken hem hoogst onrustig maken en zijn beeld van de ideale maatschappij verstoren. Alsof het tijdbommen zijn, waarvan hij de inhoud niet kent maar wel vermoedt.

Voor de man met de Vele Boeken is het zo dat duizenden dezelfde boeken hem hoogst onrustig maken en zijn beeld van een ideale maatschappij verstoren. Omdat hij de inhoud ervan maar al te goed kent.

De bewegingen die de man met het Ene Boek hebben gecreëerd willen alle andere boeken met wortel en tak uitroeien. Het bezit van boeken zou kunnen leiden tot lezen en lezen zou kunnen leiden tot vermeerdering van kennis. De mensen moeten vóór alles van lezen af worden gehouden. Boeken brengen op verkeerde ideeën en scheppen oproerkraaiers. Oproer tegen de boodschap van het Ene Boek, wel te verstaan. Lezen houdt de massa af van economische produktiviteit. Lezen leidt tot sentimentaliteit, tot dagdromen en ander tijdverspillingen. Tot erotiek en decadentie. Zo luidde door de eeuwen heen hun redenering.

De man met de Vele Boeken kijkt naar zijn bibliotheek en rilt. Die boeken van hem, ze zijn inderdaad een tijdbom - voor de censuur, voor de verklikker, voor de geheime politie.

De strijd tussen het Ene Boek en de Vele Boeken is de strijd van uniformisering en haat tegen genuanceerdheid en begrip. Het Ene Boek is voor de humanist een eenduidig slagersmes, de bibliotheek is voor de terreur het potentiële magazijn van de verlichting. De tirannie versus de vrijdenkerij, de kreet versus de eindeloze modulaties van 'de windmolenbouwers, ballonvaarders en liefdeszangers'.

De ideale wereld van de een is die van de gelijkschakeling, de ideale wereld van de ander die van het liberalisme en de veelzijdigheid. Ik heb het over het ideaal. We weten hoe, in werkelijkheid, alle verlichtingsidealen wormstekig bleken. We weten dat leesprogramma's en boekverspreiding op grote schaal niet één oorlog, niet één lokale ruzie hebben tegengehouden. We weten dat je een boek niet kunt eten en dat oog in oog met een leger van hongerenden elk Bildungsideal een karikatuur is. Alles wat de mens aan verschrikkelijks bij elkaar fantaseerde, ook dat verscheen onvervalst in boekvorm:

En ieder beest, dat bijt

Dat kwade ideeën met mooie ideeën bestreden kunnen worden, die hoop hebben we allang laten varen. Maar we willen misschien af en toe nog wel dat fundamentalisten en obscurantisten met hun knuisten van onze ideeën afblijven. Misschien ook niet.

De bundel van Joan van den Heuvel verscheen in 1914, op de drempel van de eerste wereldoorlog. Waarschijnlijk werd de boekenkast toen voorgoed dichtgetimmerd.