God en Moraal (1)

Paul Cliteurs bijdrage over een publieke moraal zonder God (20 september), voert aan het eind tot een merkwaardige conclusie die nauwelijks volgt uit de strekking van zijn betoog. Het gaat om het beoordelen van een handeling op zijn consequenties. Cliteur past existentialistische uitgangscriteria toe in zijn denkwereld.

Het gedoogbeleid is daarvan een voortvloeisel. Het gaat om de beheersbaarheid achteraf. Die merkwaardige theorie blijkt ondanks de desastreuse maatschappelijke gevolgen (drugs, kinderpornografie, criminaliteit, corruptie) op een groot deel van de intellectuele elite nog steeds aantrekkingskracht uit te oefenen. Als de balans opgemaakt wordt blijkt de theorie niet te werken. Het lijkt uit te monden op nog beter kunnen dweilen met de kraan nog verder open.

Ook biedt Cliteur geen oplossing voor het probleem als God ontbreekt, wie dan wel de rechtvaardige arbiter is? Belangentegenstellingen tussen de slimmen en de dommen, de machtigen en de zwakken zijn niet weg te denken. Jean François Revel heeft al aangegeven dat als het nut het wint van de waarheid, de korte termijntaktiek het wint van het totaalconcept. Toch zou het in een vreedzamer wereld voor alle mensen, om dat laatste moeten gaan. Dat totaalconcept verklaart de duurzaamheid van tweeduizend jaar Christendom.

Dat Christendom heeft de gouden regel meegebracht dat een kwaad niet acceptabel is om een ander kwaad te voorkomen, noch om iets goed te bevorderen. Met name de rk-kerk is hierin zeer uitgesproken. De leidraad daarbij is, wat gij niet wilt dat u gebeurt, doe dat ook een ander niet. In dat kader zijn de doelstelling, de intentie en de omstandigheden ervóór, bepalend voor het morele gehalte van menselijk handelen, niet de gevolgen. Het doel heiligt de middelen niet. Deze uitgangspunten bieden zicht op een rechtvaardiger samenleving dan de ongewisse verhoudingen die Cliteur wil inbedden.