Glazen mens en anticonceptiepil in hygiënemuseum; Smetteloos museum

Een museum over de hygiëne in Dresden, opgericht door de oervader van het Odol mondwater, behandelt niet alleen de anatomie, de strijd tegen de alledaagse smet en de anti-conceptiepil, maar ook de 'rassenhygiëne'.

Een hygiënemuseum roept associaties op met vitrines vol onsmakelijkheden, maar het gelijknamige gebouw aan de Dresdener Lingnerplatz van architect Wilhem Kreis brengt je meteen op andere gedachten. Een monumentale witte gevel, waarin veel glas en opvallend hoge, roestvrij stalen deuren, geeft op indrukwekkende wijze gestalte aan het onderwerp van het museum. Kreis (1873-1955) liet een tramlijn verleggen en zorgde ervoor dat de bezoeker bij nadering van het gebouw alleen de imposante voorgevel kon zien. Nu, bijna zeventig jaar later, is dat nog vrijwel ongewijzigd het geval. De schoonheid van de architectuur die aan de Neue Sachlichkeit doet denken (waarvan Kreis zich vooral na kritiek uit nationaal-socialistische kring distantieerde), zet zich ook in het inwendige van het museum voort.

Geestelijk vader van het museum is Karl August Lingner (1891-1961), die als jongeman fortuin had gemaakt met het mondwater Odol. Hij investeerde zijn vermogen in de strijd tegen de tbc, in de oprichting van stedelijke gezondheidsinrichtingen en in gezondheidsvoorlichting en -opvoeding. Het museum, en later de nieuwbouw, kon dankzij zijn financiële bijdragen gebouwd worden.

Zeker zo fraai als het museum, dat in 1930 werd voltooid, is het rond dezelfde tijd ontwikkelde model 'de glazen mens', een indertijd wereldberoemd product van de werkplaatsen van het museum dat de toen nog niet wijd verbreide anatomische kennis zichtbaar maakte. Net als het andere leer- en voorlichtingsmateriaal, zijn de glazen mensen naar alle uithoeken van de aarde geëxporteerd.

Hoe vooruitstrevend de ideeën van Lingner ook waren, de invloed van de tijdgeest drong toch door. In de vaste expositie over de geschiedenis van het museum is dat goed te zien. Zo worden op een affiche uit de beginjaren van het museum jonge mensen ertoe aangespoord hun lichaam 'rein' te houden, wat op een oproep tot seksuele onthouding neerkwam. In de jaren na 1933 was er behalve voor de traditionele hygiëne ook veel aandacht voor een soort hygiëne, waaraan maar weinigen graag terugdenken: de rassenhygiëne.

Tijdens het bombardement op Dresden op 13 en 14 februari 1945 braken de glazen mensen in duizenden scherven. In maart 1945 begon men met de wederopbouw en al spoedig nam het museum zijn voorlichtende functie weer op, nu vooral met betrekking tot de bestrijding van tbc- en tyfus-epidemieën, en later van geslachtsziekten. Vanaf 1954 kwam het onder de hoede van het gezondheidsministerie van de DDR, en werd het tot 'Zentral Institut für medizinische Aufklärung' benoemd. Een minder officiële, maar zeker zo belangrijke opgave van het museum in de tijden van het reëel existerende socialisme, was het zorgen voor deviezen. De door het museum geproduceerde leermiddelen werden tot naar de Fiji-eilanden geëxporteerd.

Het museum biedt tegenwoordig een combinatie van vaste en wisselende tentoonstellingen, alle als vanouds met grote zorg voor de vormgeving ingericht. Nog tot januari 1997 loopt de expositie Die Pille - von der Lust und von der Liebe, waarin de sociale context van de pil in de afgelopen vijfendertig jaar aanschouwelijk wordt gemaakt. Zo blijkt dat de anti-conceptiepil al veel eerder werd ontdekt dan gemeenlijk wordt aangenomen, en wel in 1919 door Ludwig Haberlandt. Het ging de ontdekker daarbij niet zozeer om het voorkomen van zwangerschap, maar om het vermijden van 'een minderwaardig nakomelingschap'.

Door de machtsovername door de nazi's en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog duurde het nog tot het midden van de jaren zestig voordat de pil ook in de DDR op de markt kwam. Misschien wel het aardigste deel van de tentoonstelling laat onder de (film-)titel Die goldene Pille de geschiedenis van de beginjaren van de pil zien. Illustratief is een foto met drie mannen op de Essener Katholikentag in 1968, die onder een bord hebben plaatsgenomen met de tekst: “Wij praten niet over de pil, wij slikken hem.” Jammer genoeg blijven de bezoekers van de tentoonstelling in het ongewisse over de verdere geschiedenis van O. Kabalek, die tijdens een volksfeest in hetzelfde jaar via een briefje op een prikbord vraagt “welke Genossin nog voor de revolutie geslachtsverkeer wil hebben”.

Met Lingner liep het overigens uiteindelijk tragisch af: een goedaardige vergroeiing van zijn tong (ten gevolge van het roken) besloot hij, ondanks andersluidende adviezen niet te laten opereren, maar te laten bestralen met radium. Als gevolg daarvan kreeg hij tongkanker. Nog gaf Lingner zich niet gewonnen en liet hij zich opereren. Een paar dagen na de geslaagde operatie bezweek hij aan een hartaanval.

Deutsches Hygiene-Museum Lingnerplatz 1, Dresden (Altstadt). Open: di., do. en vr. 9-17u, wo. 9-20u30, (vanaf 17u gratis), za. en zo. 10-17u. Inl.00 49-3514846670.

Bij Rowohlt is een bij de tentoonstelling 'Die Pille' behorend gelijknamig boek verschenen, onder redactie van Guisela Staupe en Lisa Vieth, met bijdragen van Klaus Theweleit, Barbara Sichtermann, Barbara Duden, Gabriele Goettle en anderen. Het telt 239 pagina's en 116 illustraties. In Duitsland kost het DM 28. ISBN 3 87134 257 2.

Wie alvast een indruk van de tentoonstelling wil krijgen, kan terecht op Internet, http://www.maz.net/dhmd/die-pille.