Geloofwaardigheid van overheid is belangrijker dan nevenfuncties

Het optreden van VVD-leider Bolkestein als commissaris van een farmaceutisch bedrijf heeft de vraag opgeroepen welke nevenfuncties een Kamerlid nu eigenlijk mag hebben. Volgens G.J. Schutte gaat het uiteindelijk om de eigen verantwoordelijkheid van een Kamerlid. Een gedragscode zal weinig helpen, de eed die een Kamerlid aflegt moet voldoende zijn.

Mag een Kamerlid optreden als pleitbezorger van de belangen van bepaalde personen of organisaties? En zo ja, waar liggen dan de grenzen?

Het is goed hierbij drie situaties te onderscheiden. De eerste is, dat een willekeurige burger zich tot een Kamerlid wendt met het verzoek hem te helpen in zijn contacten met de overheid. Een asielzoeker dreigt te worden uitgezet, de behandeling van een subsidieverzoek wil maar niet opschieten, een vergunning wordt geweigerd.

Geen Kamerlid zal zulke verzoeken naast zich neerleggen met het formele argument dat hij tot taak heeft het algemeen belang te behartigen en niet het belang van bepaalde personen of organisaties. Ook zal hij lang niet altijd gebruik maken van zijn formele bevoegdheden als Kamerlid. In plaats van in het openbaar vragen te stellen neemt hij de telefoon of schrijft hij een brief aan een minister of ambtenaar. Is dat dan een ongeoorloofde vorm van politieke druk uitoefenen?

In het algemeen niet. Het helpen oplossen van problemen van burgers behoort tot de taak van politici. Maar als het nu eens gaat om een politiek zeer omstreden milieuvergunning? En het bewuste Kamerlid is tevens voorzitter van een grote fractie? Is het dan nog zo onschuldig? Natuurlijk niet. Want dan lijkt het erop, dat het Kamerlid particuliere belangen wil behartigen door de publieke politieke discussie en afweging te omzeilen.

In een tweede situatie ligt de zaak gevoeliger. Een Kamerlid is als bestuurslid betrokken bij een gesubsidieerde organisatie. De overheidssubsidie dreigt te worden verlaagd. Wat is dan de positie van het Kamerlid? Mag hij zich opwerpen als pleitbezorger van de bedreigde organisatie of is het beter dat hij zich onthoudt van activiteiten om belangenverstrengeling te voorkomen?

Het is erg moeilijk hier algemene regels voor te geven. De omstandigheden kunnen daarvoor te verschillend zijn. Maar aan de vraagstelling ligt een andere vraag ten grondslag, namelijk hoe we aankijken tegen nevenactiviteiten van politici in het algemeen.

Dit spreekt het sterkst in de derde situatie, als een politicus een nevenberoep uitoefent in het bedrijfsleven of bij een grote maatschappelijke organisatie. In zo'n combinatie is de mogelijkheid van belangenverstrengeling als het ware ingebouwd. Wat is dan de positie van de politicus-commissaris of -bestuurder?

Om hierop een antwoord te vinden is het goed te bedenken dat dit soort vragen inherent is aan ons stelsel van volksvertegenwoordiging. Politici vertegenwoordigen de Nederlandse samenleving, ze wortelen als het goed is in die samenleving. Idealiter betekent dit, dat allerlei geledingen uit de samenleving ook in de volksvertegenwoordiging terug te vinden zijn.

De werkelijkheid is tegenwoordig anders. Het Kamerlidmaatschap is voor verreweg de meeste leden een (meer dan) volledige betrekking geworden. Ook de maatschappelijke herkomst van Kamerleden biedt geen afspiegeling van onze samenleving. Oud-ambtenaren en onderwijsmensen zijn oververtegenwoordigd, mensen met ervaring in het bedrijfsleven ontbreken bijna. Zo bezien is er niets op tegen dat Kamerleden banden onderhouden met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Een verbod van dergelijke nevenfuncties zou het paard achter de wagen spannen betekenen. Maar wat dan wel om de verhoudingen zuiver te houden?

Het is interessant een vergelijking te maken met gekozen vertegenwoordigers in gemeenteraden. Nog maar enkele jaren geleden is een nieuwe Gemeentewet tot stand gekomen. Deze geeft duidelijke aanwijzingen voor de positie van raadsleden. Sommige openbare betrekkingen worden onverenigbaar verklaard met het raadslidmaatschap. Het gaat daarbij vrijwel altijd om een gezagsrelatie tot de gemeenteraad. Daarnaast mag een raadslid bepaalde handelingen niet verrichten. Daarbij gaat het met name om zakelijke relaties tussen de gemeente en het raadslid. Verder geldt er een verbod om mee te stemmen over zaken welke een raadslid persoonlijk aangaan en een plicht tot openbaarmaking van alle functies welke een raadslid bekleedt. Als sluitstuk geldt de eed, welke elk raadslid bij zijn aantreden aflegt.

Een reeks van voorschriften dus, in het belang van zuivere verhoudingen in de politiek. Maar met als rode draad dat de gekozen volksvertegenwoordiger primair zelf verantwoordelijk is voor het naar eer en geweten vervullen van zijn politieke taak. Alleen in evidente situaties heeft de wet een grens gesteld.

Het is opmerkelijk dat over de positie van Kamerleden veel minder is geregeld. De Grondwet noemt enkele onverenigbare betrekkingen en verklaart de wetgever bevoegd er andere aan toe te voegen. Maar over verboden handelingen lezen we niets.

Dat is ook te begrijpen, omdat de Tweede Kamer geen bestuursorgaan is zoals een gemeenteraad, maar alleen controlerende en mede-wetgevende taken heeft. Toch kan aan de strekking van de bepaling in de Gemeentewet wel iets ontleend worden, namelijk dat volksvertegenwoordigers zich behoren te onthouden van handelingen waardoor zij in een situatie van belangenverstrengeling zouden kunnen geraken. Daarbij is de positie welke een bepaald Kamerlid bekleedt mede van belang. Die positie kan ook niet even vergeten worden. Dat doet degene voor wie je iets wilt doen in ieder geval niet. Kamerleden zijn ook in dit opzicht '24 uur in dienst'.

Maar omdat handelingen van zulke Kamerleden veelal niet bestaan uit publieke stellingname, bijvoorbeeld bij een stemming, maar uit participeren in besloten bestuursvergaderingen en informele activiteiten, is gedetailleerde regelgeving onmogelijk. Het gaat in wezen om een ethische norm, die men in algemene bewoordingen kan proberen te formuleren, maar die in uiteenlopende concrete situaties moeten worden gehanteerd.

Een gedragscode zal slechts betrekkelijke waarde hebben. Zo'n code is niet afdwingbaar en zal in algemene bewoordingen moeten worden vervat. Er kan ten onrechte de suggestie van uitgaan, dat wat niet in de code is verboden dus geoorloofd is.

Uiteindelijk blijft gelden, dat ieder Kamerlid individueel aanspreekbaar is op de afgelegde eed. Het is van belang voor de politiek als geheel en voor de individuele politicus dat over de integriteit van volksvertegenwoordigers geen twijfel bestaat. Soms kan dat betekenen dat een politicus als commissaris minder voor het bedrijf kan doen dan een andere commissaris. Jammer voor het bedrijf, maar goed voor de geloofwaardigheid van de overheid.