Gastarbeiders vervangen Palestijnen in Israel

Gastarbeiders uit alle uithoeken van de wereld hebben de weg naar Israel gevonden. Ze hebben de plaats ingenomen van vele tienduizenden Palestijnen die sinds de intifadah en terroristische aanslagen door Israel worden geweerd. Nu realiseren de Israeliërs zich dat ze van de drup in de regen zijn gekomen. Uitbuiting en criminaliteit concentreren zich in Tel Aviv. “Kom morgenochtend om een uur of halfvijf. Dan zul je er duizenden ontmoeten.”

In de wijde omgeving van het vroegere centrale busstation in Zuid-Tel Aviv wonen, afgezien van de prostituees, nauwelijks nog Israeliërs. Hier leven, op elkaar gepakt, tienduizenden mensen uit verre, vreemde landen - bijna 17 procent van de totale bevolking van Tel Aviv. Rondom de markten en winkels, waar groente, fruit, textiel, potten, pannen, tweedehandsartikelen, elektronica en natuurlijk ook drugs worden verkocht, nemen misdaad en prostitutie toe - met alle toebehoren van peepshows, seksshops en gore hotelletjes.

Gewoonlijk wordt deze buurt aan zichzelf overgelaten. Maar vanavond verscheen opeens een grote politiemacht met overvalwagens ten tonele, na een van die schietpartijen tussen criminele bendes onderling die hier tegenwoordig geen uitzondering meer zijn. De politie sloot een paar straten af, maar niemand wil vertellen wat er precies is gebeurd, of er doden zijn gevallen, en zo ja, hoeveel. Een man die zijn weggelopen hoer achterna wil gaan, wordt tegengehouden en gaat iemand van de speciale politie te lijf. De speciale politie bestaat uit krachtpatsers, die tegen de snel wassende mafia worden ingezet.

Deze kaalgeschoren politieman is alleen te herkennen aan zijn kogelvrije vest; hij heeft net zo'n penosekop als de anderen hier. Bijgestaan door een collega probeert hij, duwend en stompend, de pooier uit de buurt te werken. Maar die rukt elke keer opnieuw op naar de afgesloten straat. “Leven we hier in een democratie of niet?” schreeuwt hij met een zwaar Russisch accent. “Waar zijn mijn rechten?”

Een pikzwarte man, die uit Ghana afkomstig blijkt te zijn, en twee Chinezen lopen haastig weg. De politiemannen doen niets. Maar opeens komen ze in actie als ze twee jonge mannen gewaar worden die wel eens Arabieren zouden kunnen zijn. “Laat je identiteitskaarten zien!” zeggen ze. Gehoorzaam tonen de twee hun papieren. Daaruit blijkt dat zij geen Palestijnen zijn uit de bezette gebieden, maar Israelische Arabieren. Dus mogen zij doorlopen. Mijn Israelische begeleider zegt bitter: “Zie je het nou? We zijn in dit land met z'n allen zó geprogrammeerd dat wij alleen maar oog hebben voor het Palestijnse gevaar. Ook de politie is zo afgericht. Daarom wordt alleen die twee Arabieren naar hun identiteitspapieren gevraagd. Alle andere groepen die een potentieel probleem opleveren zijn niet interessant. Ze worden als ongevaarlijk beschouwd.”

De bewoners van deze stadswijk hebben nauwelijks banden met elkaar, laat staan met de Israelische samenleving. Zij spreken een duizelingwekkend aantal talen, maar zeer gebrekkig of geen Hebreeuws. Ze zijn hier uitsluitend gekomen om geld te verdienen. En hoewel ze naar Israelische maatstaven zwaar worden onderbetaald, kunnen ze met hun inkomsten voldoende sparen om hun families ver weg te onderhouden. Dat is mogelijk als je met z'n achten op één kamer woont.

Laat, waarschijnlijk te laat, komen de Israeliërs tot het besef dat zij - met de vervanging van Palestijnse gastarbeiders door deze mensen - van de drup in de regen zijn gekomen. Eigenlijk wordt pas sinds augustus de alarmklok geluid. Maar er is nog geen sprake van doeltreffende maatregelen om een halt toe te roepen aan de niet eindigende stroom van gastarbeiders uit Roemenië, Thailand, China, de Filippijnen, Nigeria, Colombia, Turkije en nog veel meer landen in Oost-Europa en de Derde Wereld.

“De laatste weken vertonen de buitenlanders zich veel minder 's avonds op straat”, zegt een fruitverkoper. “Na alle publiciteit over hen en de dreigementen van de regering dat zij de illegalen zal aanpakken, zijn ze bang geworden. Maar kom morgenochtend om een uur of halfvijf. Dan zul je er duizenden ontmoeten. Elke nationaliteit staat bij elkaar - Colombianen bij Colombianen, Chinezen bij Chinezen, en ga maar door - op zoek naar een of meer dagen werk.”

Elia - tenminste zo noemt hij zich - komt uit Jamaica en is 24 jaar oud. “Ik ben op vakantie”, zegt hij stralend. “Sinds twee maanden.” Natuurlijk kwam hij niet naar Israel om te werken. “Hoe kom je daar nou bij?” roept hij, gierend van het lachen. Ja, af en toe werkt hij wel. Maar hij wil niet vertellen wat hij doet. Hij aait zijn spiksplinternieuwe racefiets en zegt: “De hele wereld is hier.” Nu moet hij weg; zijn schuchtere vriend uit Nigeria - “ook een toerist” - wacht op hem.

Vorige maand zei de regering voor het eerst officieel dat zowel het aantal illegale als legale buitenlandse gastarbeiders “drastisch beperkt” zal moeten worden. Volgens ambtenaren in de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken kost het op zijn minst vijf jaar voordat alle illegalen opgespoord en uitgewezen zijn. Dat is een veel te optimistische prognose, zoals men in West-Europa al sinds lang weet. Illegalen die het klappen van de zweep kennen blijken hun paspoort en andere gegevens 'te hebben verloren', waardoor uitwijzing naar hun land van herkomst altijd buitengewoon moeilijk en tijdrovend wordt, vaak zelfs onmogelijk.

Die ervaring hebben ze in Israel nog niet. Dus kwam het links-liberale Knesset-lid Ran Cohen met het voorstel “doorgangskampen” voor gearresteerde illegalen in te richten, vlakbij het vliegveld Ben Gurion. Daar zouden zij tot het tijdstip van hun uitwijzing moeten verblijven. De altijd zeer kritische en actieve Israelische mensenrechtenorganisaties protesteerden ditmaal niet. Volgens hen worden de bureaucratische procedures door zo'n maatregel bespoedigd en garanderen de doorgangskampen redelijke voorzieningen voor de uitgewezenen.

Minister van Arbeid en Sociale Zaken Eli Ishai kondigde aan dat het aantal werkvergunningen voor buitenlandse gastarbeiders tot juli volgend jaar met 20.000 zal worden verminderd tot 83.000. Bovendien zullen elke maand tussen de duizend en 2.000 illegalen worden uitgezet. Ishai vond de doorgangskampen een goed idee, maar kreeg daarvoor nog geen toestemming van de regering. Wel kondigde hij aan dat een commissie plannen zal uitwerken om de uitzetting van illegale gastarbeiders te verhaasten. Volgens de minister kost het ongeveer acht jaar om de 100.000 illegalen uit Israel weg te krijgen.

Dat is volgens insiders een totaal irreële inschatting. In de eerste plaats willen de machtige lobby's, met name in de agrarische- en de bouwsector, deze gehoorzame arbeidskrachten niet graag verliezen, vooral omdat ze ook nog eens 30 procent goedkoper zijn dan de Palestijnen. In de tweede plaats is het aantal illegale buitenlandse gastarbeiders veel hoger: het wordt - nu ook door de regering - geschat op tussen de 200.000 en 250.000, naast de 103.000 gastarbeiders die een werkvergunning hebben.

Deze in totaal circa 350.000 gastarbeiders (op een totale bevolking van 5,7 miljoen mensen) hebben sinds 1988 de plaats ingenomen van de Palestijnen. Vóór het uitbreken van de intifadah, de Palestijnse opstand tegen Israel, werkten er 160.000 Palestijnen legaal en nog vele tienduizenden illegaal in Israel. Hoewel de Palestijnen als uitstekende arbeidskrachten werden gezien, hadden zij één groot nadeel: zij kwamen vanaf eind 1987, toen de politieke spanningen opliepen, slechts zeer onregelmatig naar hun werk. Aanvankelijk werden zij door de leiders van de intifadah gedwongen om ten minste tweemaal per week te staken. Daarna schroefde de regering-Rabin, na elke golf van terroristische aanslagen, het toegestane aantal Palestijnse arbeiders steeds verder terug.

Het voordeel van de Palestijnse arbeiders was echter dat zij en hun families naast Israel wonen. Bijna allen keerden na het eind van hun werkdag naar huis terug. Zij en hun vrouwen en kinderen willen zich niet voorgoed in Israel vestigen zolang dat land een joodse staat is. En als zij het wél zouden willen, zou de Israelische overheid er alles aan doen dat te verhinderen, zo weten zij uit ervaring. De buitenlandse gastarbeiders daarentegen proberen zo lang mogelijk in Israel te blijven. Velen willen in Israel een gezin vestigen of hun gezin naar Israel laten overkomen.

Na de reeks zelfmoordaanslagen van februari dit jaar besloot de regering-Peres alle nog resterende 60.000 Palestijnse arbeiders, afkomstig uit de bezette gebieden én de gebieden onder Palestijns Gezag, het werken in Israel onmogelijk te maken. Geen enkele Palestijnse gastarbeider mocht nog naar Israel. De regering gaf zelfs toestemming om in hun plaats nóg eens 50.000 buitenlandse gastarbeiders toe te laten. De meerderheid van de Israelische bevolking was opgelucht. Niet langer hoefde men bang te zijn voor een Palestijns mes in de rug, zoals tijdens de intifadah. En door de 'afsluiting' zouden de terroristen van Hamas en Islamitische Jihad moeilijker kunnen toeslaan.

Nu echter dringt het besef door dat de buitenlandse gastarbeiders, die verder geen enkele band met Israel hebben, een ernstige belasting dreigen te worden voor de samenleving. Op de scholen bijvoorbeeld, die overbevolkt raken met de kinderen van gastarbeiders, wier cultuur op geen enkele wijze aansluit bij de Israelische. En in de gezondheidszorg die zich om hen moet bekommeren.

Maar men is vooral bang dat deze pluriforme en niet-gewortelde groep de toch al snel groeiende criminaliteit nog verder zal vergroten. Van joods-religieuze, maar ook van niet-religieuze zijde wordt er bovendien op gewezen dat de buitenlandse gastarbeiders geen enkele binding hebben of willen hebben met het jodendom. Hun snel groeiende aantal zou het basisconcept van Israel - een joodse staat te zijn - kunnen aantasten. Nu al organiseren de vaak zeer christelijke gastarbeiders op zaterdagochtend, als iedereen in Israel een vrije dag heeft, kerkdiensten in de kelders van Zuid-Tel Aviv. Zondags gaan ze niet naar de kerk, want dan moeten ze werken en geld verdienen.

Tot dusver hebben al deze zorgen nog niet geleid tot de in West-Europa gangbare, racistische en xenofobe reacties, omdat de werkloosheid naar verhouding nog steeds gering is (zes procent) en de Israeliërs niets voelen voor het zware werk dat de gastarbeiders tegen een minimum-salaris van iets meer dan drie dollar per uur verrichten. Het aantal incidenten tussen Israeliërs en buitenlandse gastarbeiders is dan ook miniem.

Daarentegen neemt tussen hen en de Palestijnen, die hun broodroof verwijten, het aantal incidenten toe. Begin augustus kwam het tot de eerste dodelijke botsing in de landbouwnederzetting Moshav Matzliah, 20 kilometer ten noorden van Tel Aviv. Twee Palestijnen begonnen de aldaar werkende Thaise gastarbeiders uit te schelden voor “varkens” en “katten- en hondenvreters”. Het kwam tot een gevecht, waaraan steeds meer Palestijnen deelnamen en waarbij een 21-jarige Thaise arbeider om het leven kwam.

Ondanks aankondigingen van overheidszijde dat men het probleem van de gastarbeiders krachtig zal aanpakken, zal de feitelijke uitvoering van dat voornemen slechts mondjesmaat gebeuren. Zij zijn voor de werkgevers domweg te winstgevend. Dat zij niet bevorderlijk zijn voor Israels naam in het buitenland en uiteindelijk ook een modernisering van de economie in de weg staan, is vers twee.

Israelische koppelbazen en werkgevers maken vaak ernstig misbruik van de sociale hulpeloosheid van de gastarbeiders. Soms nemen werkgevers, die hun vliegticket naar Israel hebben betaald, hun paspoorten in beslag als garantie dat ze niet na korte tijd naar een andere werkgever overlopen. Het is een machtsmiddel dat gemakkelijk tot chantage kan leiden. Zo zijn er diverse gevallen bekend van gastarbeiders die twee maanden voor de afloop van hun contract geen loon meer kregen uitbetaald. Afgezien van een paar piepkleine, totaal machteloze Israelische organisaties die uit morele overwegingen handelen, doet de politiek - en dus ook de politie - niets tegen deze wantoestanden.

Volgens Amir Peretz, hoofd van de algemene vakcentrale, Histadruth, wordt er op elke buitenlandse gastarbeider twee dollar per uur verdiend, waardoor zij bij een twaalfurige werkdag meer winst opleveren dan de handel in drugs. Peretz wil dat de overheid de werkgevers veel strengere voorwaarden oplegt om de kosten van de gastarbeiders zodanig te verhogen dat hun indienstneming niet meer zo interessant is.

Dat zou na een periode van ernstige overgangsproblemen een zegen kunnen betekenen voor de Israelische economie. Want doordat men zich nu kan bedienen van goedkope arbeid uit het buitenland, blijft de noodzakelijke modernisering van machineparken en arbeidstechnieken vaak achterwege.

Het ziet er naar uit dat het probleem van de buitenlandse gastarbeiders voornamelijk zal worden aangepakt in de vorm van een ontmoedigingsbeleid. Daarop wijzen de steeds hardere uitspraken, onder andere van de minister voor Veiligheidszaken, Avigdor Kahalani. Hij zei vorige week dat men de buitenlandse gastarbeiders, wier aantal hij op 400.000 begrootte, “het leven zuur zal maken”. Zij zijn volgens hem “een nationale plaag” geworden met hun 'gezondheidsclubs', die in werkelijkheid bordelen zijn.

Dergelijke uitspraken zijn een poging Israels imago bij potentiële nieuwe gastarbeiders minder aantrekkelijk te maken. Al was het maar omdat hun massale komst de terugkeer in de weg staat van tienduizenden Palestijnse arbeiders, die nu opeens hogelijk gewaardeerd blijken te zijn.

Volgens Yasser Arafat verliezen de Palestijnen door de 'afsluiting' zeven miljoen dollar per dag aan inkomsten, volgens zijn ministers zes miljoen dollar. Hoe de berekening ook wordt gemaakt, vaststaat dat de Palestijnen door de 'afsluiting' in een verschrikkelijke werkloosheid zijn beland (in Gaza ver bover de 50 procent, op de Westelijke Jordaanoever meer dan 40 procent). De hieruit voortvloeiende economische misère is extra-voedsel voor de vijanden van Arafat en zijn vredesproces.

Daarom eiste Arafat in de geheime onderhandelingen, die leidden tot zijn ontmoeting met premier Netanyahu, dat het aantal toegelaten Palestijse gastarbeiders in Israel in januari weer op 150.000 wordt gesteld. Volgens de schattingen ontvangt het Palestijnse Gezag uit belastingen jaarlijks 10.000 dollar per gastarbeider. De Noorse diplomaat die de VN-hulp aan de Palestijnse gebieden coördineert, Terje Larsen, stelde Netanyahu voor zo snel mogelijk 100.000 illegalen uit Israel weg te sturen om plaats te maken voor Palestijnse arbeiders.

Ook de Amerikaanse regering heeft de afgelopen weken herhaaldelijk bij Netanyahu aangedrongen op een veel strenger beleid tegen de illegalen, teneinde de Palestijnen meer kans op werk te geven. Volgens de Amerikaanse berekeningen zijn 60.000 in Israel werkzame Palestijnen voldoende om het tekort op het budget van het Palestijnse Gezag te dichten.

Netanyahu voelt hier wel voor, al was het maar uit ideologische overwegingen. De politieke scheiding tussen Israel en Palestina, die Rabin voorstond en vertaalde door steeds minder Palestijnse gastarbeiders toe te laten, is zeker niet het doel dat Netanyahu nastreeft. Vandaar dat het aantal in Israel werkende Palestijnen nu weer tot 50.000 is opgevoerd.

Tot dusver heeft het ontmoedigingsbeleid ten aanzien van de andere gastarbeiders nog niet erg veel succes geboekt. Israelische koppelbazen en buitenlandse belanghebbenden werken nauw samen om zoveel mogelijk illegalen Israel binnen te loodsen. Zij gebruiken daarbij de meest ingenieuze technieken. Vele werkzoekenden komen als 'pelgrims', de meesten als toeristen, die na hun vakantie 'verdwenen' blijken te zijn.

Maar er arriveren ook deelnemers aan imaginaire landbouwcongressen, met prachtige kleurenbrochures op zak. Of sprekers op niet-bestaande symposia over religieuze zaken - wat in dit Heilige Land altijd goed ligt.

Eind augustus verscheen een groep mensen uit Tsjaad aan de Egyptisch-Israelische grens, waar zij werden tegengehouden. Op hun kamelen waren zij 1600 kilometer naar het Beloofde Land getrokken om daar werk en dollars te vinden. En onlangs kwam een grote groep mannen uit de Fiji-eilanden, gekleed in splinternieuwe VN-uniformen, naar Israel. Met de VN bleken zij niets uitstaande te hebben. Waarschijnlijk hadden zij de uniformen gekregen of gekocht van Fiji-militairen die in Zuid-Libanon bij UNIFIL dienen.