'Fed' neemt risico met rentebesluit

AMSTERDAM, 26 SEPT. De dollar tuimelde even, maar de Amerikaanse obligatiemarkt trok de Europese mee in een juichstemming, aandelen in New York hielden zich goed en op Europa's aandelenbeurzen stegen de koersen van aandelen over de gehele linie, met een nieuw record voor Frankfurt en voor Amsterdam vanmorgen.

De beslissing van dinsdagavond door de Federal Reserve Board, het Amerikaanse stelsel van centrale banken, om de geldmarktrente ongemoeid te laten op 5,25 procent is op de financiële markten gunstig ontvangen.

Het besluit kwam als een verrassing. De Amerikaanse economie groeit nu al ruim vijf jaar onafgebroken, en perste er in het tweede kwartaal nog eens een tussensprint uit met een groei van 4,8 procent op jaarbasis. De werkloosheid is gedaald tot 5,1 procent, en dat is het laagste in zeven jaar. En de uurlonen in het bedrijfsleven stegen in de laatste twee maanden met achtereenvolgens 3 procent en 3,6 procent op jaarbasis, en dat is sneller dan de inflatie van 2,9 procent.

Vandaar dat door de meeste marktpartijen werd uitgegaan van een renteverhoging door de 'Fed' van een kwart procent tot 5,5 procent, om mogelijke inflatie-ontwikkeling vroegtijdig tegen te gaan. Maar centrale-bankvoorzitter Greenspan deed dinsdag niets. Het wachten is nu op de volgende vergadering van de Fed op 13 oktober.

De hamvraag op de financiële markten is nu wat de Fed ditmaal van de beslissing weerhield. Afgezien van de nogal mondaine constatering dat de eerstvolgende renteverhoging nu komt ná de Amerikaanse presidentsverkiezingen, en de zittende president Clinton baat heeft bij een vriendelijk economisch en beleggingsklimaat, raakt de zoektocht naar het motief van Greenspan aan een fundamentele discussie die op dit moment woedt over de Amerikaanse economie.

Die discussie gaat er allereerst over of de economie van de VS deze zomer heeft 'gepiekt', en dat de ontwikkeling in de rest van dit jaar en volgend jaar gematigd zal blijken. Of dat het groeitempo van 3,4 procent in het eerste halfjaar van dit jaar in grote lijnen doorzet. Analisten zijn wat dit betreft weinig geholpen door de verwarrende recente cijferstroom uit Washington: het vertrouwen van consumenten en producenten in de economie blijft op peil, maar de detailhandelsverkopen vertonen een daling. De creatie van nieuwe arbeidsplaatsen viel in juli tegen, maar in augustus weer mee. De woningbouwsector groeit stevig door, maar de inflatie kroop juist weer terug van 3 procent naar 2,9 procent. De grondstoffenprijzen liggen, afgezien van bijvoorbeeld olie, onder die van begin dit jaar, maar de stijging van de producentenprijzen ligt voor het eerst sinds lange tijd boven 3 procent.

Een duidelijk beeld geven de cijfers dus niet: iedereen kan er tot nu toe de bewijzen uithalen voor de juistheid van zijn prognose.

Nog afgezien van het verdere verloop van de Amerikaanse economische groei is er onenigheid over het verband tussen economische groei en inflatie. En dat raakt direct aan het rentebeleid van de centrale banken. Het is hun taak te zorgen voor financiële stabiliteit, en het beheersen van inflatie is daarbij de eerste opdracht. Door de economische groei tot nu toe, en de krapte op de arbeidsmarkt, zou het fundament voor een oververhitting van de Amerikaanse economie nu al kunnen zijn gelegd. Dat de inflatiecijfers dat nog nauwelijks tonen, is gangbaar. Er zit in de regel een tijdsverschil tussen groei en inflatie.

Een van de belangrijkste verbanden tussen groei en inflatie loopt via de arbeidsmarkt. De vraag is onder welk werkloosheidspercentage de arbeidsmarkt zo krap wordt, dat werkgevers veel hogere lonen moeten gaan betalen om werknemers aan te trekken of te behouden. Lange tijd werd gedacht dat deze non-accelerating inflationary rate of unemployment (NAIRU) de 5,5 procent ligt. Maar de Amerikaanse werkloosheid ligt nu op 5,1 procent, en economen twisten er nu over of de NAIRU om verschillende redenen niet lager ligt dan gedacht, en een loongolf pas bij een veel krappere arbeidsmarkt optreedt. Door de voortdurende reorganisaties en ontslaggolven in het bedrijfsleven is de onderhandelingspositie van werknemers er niet beter op geworden, en de afbraak van sociale voorzieningen maakt het arbeidspotentieel wellicht groter dan geraamd. Dan is er nog het verband tussen lonen en inflatie: door de globalisering en deregulering van de economie en door fellere prijsconcurrentie worden de hogere loonkosten van het bedrijfsleven misschien wel niet zo snel aan de consumenten doorberekend als vroeger het geval was, en blijft de stijging van de consumentenprijzen beperkt.

Wanneer de beslissing van de Fed van dinsdag in dit licht wordt bezien, lijkt het er op dat centrale banken bezig zijn met een experiment. Tot nu toe is aangenomen dat een volwassen economie als de Amerikaanse niet langdurig sneller kan groeien dan een procent of twee, zonder inflatie uit te lokken. Maar misschien ligt door alle veranderingen dat groeipercentage nu tegen de drie procent. Zodat een veel minder strak monetair beleid nodig is dan voorheen.

Maar het risico van zo'n experiment is groot. De Amerikaanse uurlonen stijgen, en sneller dan de arbeidsproduktiviteit. En wat betreft de invloed van globalisering: bij een economie die nog geen tien procent van haar consumptie importeert, moet de invloed daarvan op de prijzen niet worden overschat.

Mocht de Fed straks blijken te hebben achtergelopen bij de inflatie-ontwikkeling, dan zijn drastische rentemaatregelen nodig om die achterstand in te lopen. En weinig is zo schadelijk voor de economie als een geschonden vertrouwen van consumenten, producenten en beleggers in hun centrale bank.