Eeuwig leren

Nu al een jaar of tien gonst de slogan lifelong learning door de gangen van internationale organisaties. De vooraanstaande deskundigen zijn het met elkaar eens: de tijd is voorbij dat je één keer in je jeugd een opleiding volgt en daarna een leven lang kan werken. Vanaf nu zullen werken en leren elkaar blijven afwisselen.

De oorzaken zijn helder. In algemene zin is er sprake van versnelde maatschappelijke veranderingen. In meer gedetailleerde zin speelt het volgende. Kennis veroudert sneller dan in het verleden. Er zijn nu meer wetenschappelijke onderzoekers tegelijk actief dan ooit in de loop van de hele wereldgeschiedenis hebben geleefd. Technologische ontwikkeling leidt tot nieuwe produktiewijzen en daarmee tot de noodzaak vaardigheden snel door nieuwe te vervangen. En het gedrag van mensen en de structuur van hun organisaties verandert snel, wat nieuwe attitudes en vaardigheden vraagt.

Je kunt dus niet meer een leven lang toe met wat je op school en universiteit hebt opgestoken. Nieuwe kennis vergaren, nieuwe vaardigheden aanleren - het is absolute noodzaak. Onderwijs heeft bovendien een halfwaardetijd: kennis en vaardigheden die je niet of onvoldoende gebruikt gaan snel verloren.

Een van de vaardigheden die meestal verderop in een loopbaan nodig zijn, betreft leiding geven. Voor velen komt er een dag waarop je een hele organisatie moet kunnen besturen, terwijl die bekwaamheid in de eerste jaren na het afstuderen helemaal niet nodig is geweest. Zo hebben wij bij een eerste-fase-opleiding in een studieprogramma de bestaande module 'leiding geven' ooit eens vervangen door een onderdeel 'leiding krijgen'. Dat laatste was immers voor de jonge afgestudeerden veel relevanter dan het eerste. Leiding geven komt later wel.

Zoals loopbaanplanning gangbaar is, zo zou men ook aandacht moeten geven aan studieplanning. Dit rozige perspectief lijkt op het eerste gezicht ideaal: het is flexibel en effectief. Maar er rijzen toch een paar vragen.

Hoe moeten de eerste studiejaren aan universiteit en hogeschool er uitzien als later nog een heel leven van afwisselend werken en leren volgt? Dat is de eerste en zeer interessante vraag die ontwerpers van toekomstige onderwijsprogramma's al geruime tijd in een boeiende greep houdt. Het ligt voor de hand dat studenten zich in eerste instantie concentreren op basisvakken. Maar welke zijn dat?

Eerst en vooral is het van belang dat je leert te leren. Daarmee zul je immers nog tientallen jaren bezig zijn. Je moet je eigen optimale leermethodes leren kennen, leren programmeren, jezelf disciplineren en efficiënt met je tijd en middelen kunnen omgaan. Maar ook de basisvaardigheden die bij leren een rol spelen zijn van groot belang: doelmatig omgaan met informatie en opslag daarvan, behoorlijk kunnen schrijven en spreken.

Wisselwerking tussen mensen en machines zal het overgrote deel van de toekomstige produktieve handelingen kenmerken. Machines (computers) zullen de belangrijkste kennisdragers zijn, waaraan mensen creativiteit en intuïtie toevoegen. Wisselwerking tussen mensen onderling blijft onverminderd belangrijk. Onderwijs draagt ook bij aan het ontwikkelen van sociale vaardigheden en efficiënte intermenselijke communicatie.

Kennis over kennis behoort eveneens thuis in de eerste jaren van het studerend bestaan: wetenschapsfilosofie, algemene wijsbegeerte. Het verschaft referentiekaders die duidelijk maken dat snelle verandering van kennis op zichzelf niet verontrustend behoeft te zijn. Een Fins hoogleraar, die een geavanceerde technologische opleiding verzorgde, merkte ooit op: “Technologie hoef ik mijn studenten niet aan te leren, want die is toch verouderd tegen de tijd dat zij die benutten. Ik kan ze veel beter inwijden in de achtergrond van natuurwetenschappen. Dan kunnen ze later die technologische verandering goed plaatsen.”

Daarnaast zal de mens natuurlijk in de wereld van morgen veel te maken hebben met schoonheid en met ethiek. En met taligheid en beelden. Kwantitatieve intelligentie zal belangrijk zijn, omdat de mens weliswaar niet meer zelf behoeft te rekenen, maar wel zeer veel cijfers moet kunnen interpreteren.

Er is, kortom, een goed gevuld curriculum mogelijk en noodzakelijk, waarbij keuzes moeten worden gemaakt die in overeenstemming zijn met individuele talenten. Uit de voorafgaande opsomming volgt natuurlijk wel dat de eerste studiejaren aan hogeschool en universiteit veel algemener van aard zullen zijn dan nu. Een deel van de studies kan waarschijnlijk met minder dan vier jaren toe. Je komt later immers toch terug in het hoger onderwijs. Heel, heel aarzelend doet men in Nederland over deze herstructurering van ons initiële onderwijs. Terwijl de logica van de voorafgaande redenering die aanpassingen toch noodzakelijk maakt.

En dan hebben we de veranderingen op de arbeidsmarkt nog niet eens in de beschouwing betrokken. Arbeidsverhoudingen zullen er beweeglijker uitzien dan in het verleden. Je zult niet meer dertig jaar bij dezelfde werkgever blijven, misschien zelfs helemaal niet meer in vaste dienst treden. Wie zal dan betalen voor de voortgezette vorming?

In sommige kringen is het gebruikelijk met het woord employability aan te geven dat het de plicht van de individuele professional is zichzelf adequaat bij te scholen. Dat kan natuurlijk best, maar dan komen inkomensverlangens en -verhoudingen er wel heel anders uit te zien. Waarschijnlijker lijkt het mij dat opleidingsmogelijkheden een normaal te bespreken onderdeel van arbeidsvoorwaarden zullen worden.

Maar er zal nog heel wat water naar de zee stromen voordat het zover is.