De Swindells laten kinderen nooit alleen

LONDEN, SEPT. Debbie en Ronald Swindell wonen met vier kinderen in een driekamerflat in Roehampton, een buurt in het zuidwesten van Londen. De woning is klein en tochtig. Om bij hun flat op de derde verdieping te komen, moet je door een hal waar geen licht brandt, over trappen die met stinkend vuil bezaaid zijn, langs een galerij waar de wind door de kapotte ramen fluit. Onderhoud is hier sinds de bouw niet meer gepleegd.

Binnen hangen Sophietje van vijf, Robert van acht en Samantha van elf voor een immense tv die tekenfilms spuit. Tina van drie ligt in de hondenmand te dutten. Buiten spelen deze kinderen nooit, ook al ligt er een grasveld voor de flat, ook al wonen ze op loopafstand van de Theems en Richmond Park. Veel te gevaarlijk, zeggen hun ouders. Dan hebben ze het nog niet eens over het drukke verkeer dat door hun wijk scheurt. “In deze buurt stikt het van de psychisch gestoorden”, verzekert Debbie Swindell. “Eén van die kerels heeft Sophie al een keer uit haar kinderwagen proberen te rukken. Ik heb hem een klap voor zijn kop moeten verkopen”, valt haar echtgenoot haar bij.

Ook drugsgebruikers maken de buurt onveilig sinds de sluiting van een regionaal centrum voor verslaafden. “De hele dag hangen ze op de banken bij de speeltuin”, zegt Debbie. “Ze beroven zelfs kinderen die een zakje chips willen kopen.” Daarom laten de Swindells hun kinderen nooit meer alleen over straat gaan. Ze vergezellen hen naar school, naar de scouting, naar vriendjes, naar feestjes. Maar ze hebben ook nog hun werk: Ronald zit in de bouw en Debbie heeft een poetsbaan. Daarom moeten de kinderen heel vaak binnenblijven. Hun huis is hun gevangenis. Voor hun eigen veiligheid.

Miljoenen Britse ouders leven net zoals Debbie en Ronald in voortdurende zorg om hun kroost. Dat is de reden dat je zelfs in provinciesteden geen kinderen meer op het trottoir ziet spelen. Springtouw en knikkers zijn uit het straatbeeld verdwenen. Kinderen zijn naar het balkon en de achtertuin verdreven. Door ouders die zich deze luxe kunnen permitteren. Moderne Britse ouders zijn niet meer alleen verzorger maar ook kinderescorte en beveiligingsambtenaar.

Minder dan de helft van de Britse kinderen onder de twaalf mag alleen de straat oversteken. Dat blijkt uit een onderzoek van dr. Mayer Hillman. Vijfentwintig jaar geleden werd dat nog aan drie van de vier kinderen toegestaan. Negen procent van de kinderen mag alleen naar school gaan. Dat komt naar voren uit een studie van de liefdadigheidsorganisatie Bernardo. Vijfentwintig jaar geleden was dat nog tachtig procent. Kinderpsycholoog Ned Mueller waarschuwde naar aanleiding van deze resultaten dat angstvallige bescherming van kinderen hun emotionele en intellectuele ontwikkeling schaadt.

Maar wat moeten Britse ouders met die wijsheid zolang zeventig procent de directe leefomgeving als onveilig voor de kinderen beschouwt? Het grootst blijkt de angst dat kinderen door een vreemdeling vermoord zullen worden. Groter nog dan de angst dat kinderen door een verkeersongeluk of ziekte zullen sterven. Hoewel dat gevaar volgens de statistieken duizenden keren groter is.

Volgens diezelfde statistieken is het aantal kinderen dat in Engeland en Wales door misdrijf omkomt, de laatste twintig jaar gestaag gedaald. Daarbij gaat het gemiddeld jaarlijks om 86 doden en is de dader in 81 van de gevallen een bekende of familielid. Maar cijfers nemen een diepgevoelde bezorgdheid niet weg.

De angst wordt in stand gehouden en gevoed door de manier waarop de Britse media over kindermoorden rapporteren. Niet alleen doen ze dat bijzonder uitgebreid en met veel oog voor sappige details, serieuze kranten en omroepen net zo goed als de boulevardbladen. Ze komen ook graag en vaak op kindermoorden terug. Op een verslag over de vermissing van een kind volgt onvermijdelijk een dramatische oproep van de ouders en een speurtocht van de hele buurt. Is het slachtoffer eenmaal gevonden, dan moeten de ouders weer in het openbaar hun leed belijden, zelfs bij de begrafenis worden ze niet met rust gelaten. Ook een eventuele arrestatie en procesgang worden op de voet gevolgd. De media wekken daarmee de indruk dat het niet om één maar om wel twintig doden gaat.

De moord dit jaar op zestien kleuters in het Schotse Dunblane bevestigde nog eens de vrees van een natie: kinderen zijn tegenwoordig nergens veilig. Deskundigen verklaarden vol pathos dat er definitief “een einde aan de onschuld van de Britse jeugd” was gekomen. Moderne kinderen zouden gedoemd zijn om in angst en beven op te groeien. Na acht maanden riepen Britse kranten 1996 al “tot jaar van de verdwenen kinderen” uit.

Volgens de kindergedichtenschrijver Michael Rosen zegt de angst van de ouders meer over de Britse samenleving dan over de werkelijke gevaren waaraan de jeugd van tegenwoordig blootstaat. Niets tekent een tijdperk beter dan de manier waarop het met zijn kinderen omgaat, zegt Rosen. Puriteinen zagen kinderen als zieltjes die moesten gered van de duivel. Romantici beschouwden kinderen als hemelse wezens wier onschuld beschermd diende te worden.

En post-moderne Britten behandelen kinderen als potentiële slachtoffers die altijd in gevaar zijn. Volgens Rosen projecteren ouders eigen angsten op hun kroost.

Britten aan het eind van de twintigste eeuw vormen een angstig volk. Ze hebben twee oorlogen gewonnen maar een wereldrijk verloren. Symbolen die hun nationale identiteit bepaalden, zoals de monarchie en het parlement, zijn stuk voor stuk in diskrediet geraakt. Wanhopig vragen ze zich af wie ze zijn, wat hen bindt, wat hun nieuwe plaats is op de globe.

Die nationale identiteitscrisis is gepaard gegaan met groeiende economische onzekerheid. Groot-Brittannië heeft het Europese vasteland de weg gewezen in privatisering, liberalisering en uitholling van de welvaartsstaat. Maar de Britten hebben voor die versterking van hun internationale concurrentiepositie duur moeten betalen. Vier van de tien Britten zijn bang om hun baan te verliezen. Drie van de tien Britten vrezen dat ze volgend jaar hun hypotheek niet meer kunnen betalen. Zeven van de tien Britten beamen dat “Groot-Brittannië geen gemeenschap meer is waar men voor elkaar zorgt”.

Volgens een recent rapport van de Verenigde Naties is de kloof tussen arm en rijk nergens in de Westerse wereld zo groot als in Groot-Brittannië. Het gemiddeld inkomen van de armste twintig procent is in Groot-Brittannië 32 procent lager dan in de Verenigde Staten, 44 procent lager dan in Nederland. Veertien miljoen Britten, een kwart van de nationale bevolking, leeft in armoe, aldus een studie van de Joseph Rowntree Foundation. Dit betekent dat deze mensen moeten rondkomen van minder dan de helft van een modaal salaris. Kinderen worden volgens een onderzoek van de Child Poverty Action Group onevenredig zwaar getroffen. Eenderde van de Britse jeugd leeft onder de armoedegrens.

'Stranger danger', de kans dat een vreemde er opeens met je zwarte krullebol vandoor gaat, is in Groot-Brittannië te verwaarlozen, vergeleken bij de werkelijke gevaren die de jeugd bedreigen: armoe, sociale verwaarlozing en mishandeling door de ouders, scheiding, maatschappelijke ontworteling en drugsgebruik. Zelfmoord onder Britse kinderen stijgt al jaren onrustbarend. Medisch onderzoek laat zien dat jonge Britten in vergelijking met twintig jaar geleden fysiek gezonder maar ongelukkiger zijn. Het sprookje van de Rattenvanger van Hamelen is het verhaal van het Verenigd Koninkrijk. Een rattenvanger bevrijdt de stad met zijn fluit van de ratten. Maar door valsheid en hebzucht gedreven weigeren de bestuurders hun verlosser de overeengekomen beloning te geven. Gruwelijk is de wraak van Hamelens redder: alle kinderen van de stad lokt hij mee met zijn fluitje. De ouders blijven achter met de wetenschap dat zij medeschuldig zijn aan de verdwijning van hun kinderen. Ultieme ouderangst.