De loteling

In de tijd dat de 'gewogen loting' werd ingevoerd, kwam ik nogal eens in Frankrijk en dan kwam het gesprek vaak op dat onderwerp. In dat land waar, het concours, het vergelijkend examen, troef is, wekte dit voornemen grote verbazing. Dat is heel begrijpelijk, want zo'n systeem is volstrekt in strijd met de grondslagen van Frankrijks onderwijs en opvoeding.

Kan men bij ons met de dichter zeggen: 'Alles van waarde is weerloos', daar geldt veeleer het omgekeerde: Alles wat weerloos is, is zonder waarde. Competitie is de ziel van de samenleving. Is het waar, vroeg men dus ongelovig, dat er in Nederland geloot wordt? Ja, zei ik voorzichtig, voor sommige studies bestaat inderdaad een vorm van loting. Deze formulering opende nog de mogelijkheid dat mijn uitspraak niet meer was dan een speelse metafoor: de studie is een soort loterij. Maar als ik, desgevraagd, toegaf dat het woord loting letterlijk bedoeld was, zakte de stemming aanzienlijk. Un tirage au sort!, werd er ongelovig gemompeld, une loterie! Chauvinist pur sang en patriot tot in den doed, wilde ik dan graag uitleggen dat er volgens deskundigen goede argumenten voor zo'n stelsel zijn, maar daar bestond geen belangstelling voor. Op beleefde doch gedecideerde wijze werd het gesprek op andere, minder pijnlijke, onderwerpen gebracht. Waarschijnlijk is het idee dat Nederland een land van gevaarlijke lichtzinnigheid is toen ontstaan.

Het stelsel van gewogen loting heeft onlangs naar aanleiding van de uitloting van een pientere Rotterdamse weer tot heftige discussies geleid. Dat was te verwachten. Het onderwijs, het weer en de beeldende kunsten zijn onderwerpen waarover iedereen kan en wil meepraten. Dat is vervelend voor de kunst-, weer-, en onderwijskundigen, maar zo gaat het nu eenmaal. Ik doe daar overigens zelf niet aan mee. Ik wantrouw het ongezonde volksgevoel en ben geneigd veel waarde te hechten aan het oordeel van deskundigen.

Welnu, het is overduidelijk dat vele, ja de meeste deskundigen wel wat, sommigen zelfs veel, in het stelsel zien, althans de alternatieven nog ongelukkiger achten. Ik zou mij graag door hen laten overtuigen, maar ik stuit hierbij op drie bezwaren. Het eerste is een praktisch, het tweede een principieel en het derde een moreel bezwaar. Dat laatste is mijns inziens het meest zwaarwegende en heeft minder te maken met deskundigheid dan met waarden en keuzen. Het is met andere woorden een typisch politiek probleem. Het is dan ook heel begrijpelijk dat de VVD een motie heeft ingediend om niet weer een commissie in te stellen, maar het stelsel gewoonweg af te schaffen.

Om te beginnen dan het praktische bezwaar. Als de argumenten voor loting zo overtuigend zijn, waarom bestaat dit stelsel dan nergens anders? Toegegeven, 'nergens' is misschien wat sterk uitgedrukt, want ik weet niet wat er allemaal in de wereld te koop is, maar in ieder geval niet in vergelijkbare landen. In Frankrijk bestaat, zoals gezegd, het concours, een vergelijkend examen dat zowel de toegang tot de belangrijke scholen als de staatsexamens regelt. In Engeland en Amerika bepalen de universiteiten, althans de goede, waaraan menige Nederlandse college-voorzitter zich thans zo gaarne spiegelt, hun eigen toelatingsbeleid. De gedachte dat een universiteit die niet haar eigen toelatingsbeleid regelt, een top-universiteit kan zijn, is daar volstrekt ondenkbaar.

Kan het zijn dat al die landen uit de pas lopen en alleen Nederland het rechte pad volgt? Het kan, maar het is niet aannemelijk. Het tweede argument voor loting - of althans tegen selectie op grond van examencijfers - is dat de voorspellende waarde van examencijfers gering is en dat zeer marginale studenten vaak prima-artsen worden. Hier zit veel waars in en het feit dat de beperkte toelating vooral geldt voor de studie in de geneeskunde van mens, dier en tand, maakt het niet eenvoudiger. Deze studies - en daarin zijn ze uniek - zijn immers pure beroepsopleidingen. Ik neem althans aan dat weinigen tandheelkunde studeren vanwege de vormende waarde. De relatie tussen hoge eindexamencijfers en een succesvol bestaan als huisarts in de Bijlmermeer of veearts in Oude Pekela is inderdaad moeilijk aantoonbaar. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om de relatie tussen eindexamen-resultaten en studiesucces. Niet meer en niet minder. Dat je een slechte student kan zijn en toch een goede dokter, bankier of advocaat worden is een andere zaak.

Nu is de correlatie tussen eindexamencijfers en kans op studiesucces bij sommige studies evident. De kans dat iemand met alleen maar zesjes voor wiskunde en natuurkunde een doctoraalexamen in die vakken haalt, is gering. Bij andere vakken ligt dat anders. Maar dat is niet de kern van het probleem. Het probleem is dat de correlatie tussen examencijfers en studiesucces so wie so onduidelijk is. Tachtig procent - of zoiets - van de eerstejaars haalt het doctoraalexamen niet in de voorgeschreven tijd. Toch hebben zij allemaal het VWO-diploma en daarmee het recht om te studeren. Het is dus volstrekt evident dat zo'n diploma geen garantie is voor een succesvolle studie. Toch wordt aan dat examen wel een voorspellende waarde toegekend: geschikt voor een universitaire studie. Wie het niet haalt, mag daarentegen niet studeren.

Welnu, het lijkt mij moeilijk vol te houden dat een leerling die één punt te kort komt bij het eindexamen en dus zakt, minder kans op een succesvolle studie heeft dan zijn/haar medeleerling (m/v) die dat ene punt wel heeft behaald. Toch is ons hele stelsel op dat verschil en dus op die examencijfers gebaseerd. Waarom zijn eindexamencijfers hiervoor wel relevant, maar verder niet? Waarom is een eindexamen met gemiddeld zes genoeg voor de voorspelling: 'Kan de studie met succes afsluiten', en een eindexamen met gemiddeld acht niet voldoende voor de voorspelling: 'Heeft meer kans de studie met succes af te sluiten dan iemand met alleen maar zessen'?

Het derde en misschien belangrijkste bezwaar is van morele aard. Een systeem van loting ontneemt de betrokkenen de kans zich in te zetten voor de verwezenlijking van hun ideaal. Nu is dat misschien wel erg verheven uitgedrukt, maar laten wij dan gewoon zeggen, dat sommige leerlingen hun zinnen op iets hebben gezet en zich daarvoor willen inzetten. De vraag rijst dan of het moreel verantwoord is aan zoveel jonge mensen het gevoel te geven dat de dingen waarvoor zij zich willen inzetten, beheerst worden door het lot. Een stelsel dat gebaseerd is op inzet en prestaties, is dat niet. Zo'n stelsel is natuurlijk aantrekkelijk voor de succesvollen. Maar is het zelfs voor de afgewezenen niet bevredigender te aanvaarden dat anderen kennelijk beter zijn - zoals de meesten van ons toch ooit zullen leren op de Grote School Die Leven Heet - dan dat het lot hun de kans heeft ontnomen zich in te zetten voor wat zij willen?

    • H.L. Wesseling