Baantje bijt studie

Werken naast de studie móet tegenwoordig. De beurzen zijn te krap geworden. Doe het niet!, zo waarschuwt een rector magnificus.

Er waren dagen dat Pascal van Duijnhoven (23) vijf mensen naar hun graf droeg, samen goed voor ƒ 125,-. Voor een bijbaantje naast zijn studie Latijns-Amerikaanse taal & cultuur was dat geen slecht honorarium. “Er werkten wel meer studenten voor deze begrafenisondernemer”, vertelt hij, “waarschijnlijk omdat het altijd op oproepbasis was. Als drager van de kist verdiende je een geeltje per klusje, zoals ze het noemden. Het nadeel vond ik dat de begrafenissen vaak verspreid waren over de stad. Soms had je maar een half uur om van de Oosterbegraafplaats in Amsterdam-Oost naar een begraafplaats in Osdorp te fietsen. In je lange donkergrijze jas, met je hoge hoed in een plastic zak, kwam je dan helemaal bezweet aan bij de volgende begrafenis.” Twee jaar geleden stopte Pascal dan ook met het dragen van doodskisten. Nu werkt hij naast zijn studie als host in de Amsterdam Arena.

Bijklussende studenten kom je tegenwoordig op de gekste plekken tegen. 06-Lijnen inspreken, boodschappendiensten voor hulpbehoevenden, als proefkonijn bij medicijnentests: de tijd dat studenten alleen bijverdienden in de horeca of aan de lopende band is voorbij. Door de geslonken studiebeurs - op het moment nog slechts ƒ 425,- per maand voor uitwonenden - hebben steeds meer jongeren een baantje naast hun studie. Wanneer ze staan ingeschreven bij studentenuitzendbureaus als ASA, de Werkstudent of Werkwijzer, worden ze vooral erop uitgestuurd voor produktie-, schoonmaak-, catering- of promotiewerk. Verder zijn er nog duizend-en-een baantjes die studenten eigenhandig in de wacht kunnen slepen, van gids op een rondvaartboot tot student-assistent aan de universiteit.

Eén van de grootste en snelst groeiende markten voor studentenarbeid is het telefoonwerk: telemarketing (telefonische verkoop, bijvoorbeeld van een abonnement op een krant) en telefonisch enquêteren. Door alle schommelingen in de economie willen bedrijven steeds beter beslagen ten ijs komen wanneer ze een produkt lanceren, en laten ze vaker een onderzoek houden onder consumenten of concurrenten.

Op dinsdagavonden heerst er topdrukte bij het NIPO in Amsterdam, de grootste onder de markt- en opinie-onderzoekers. Op de begane grond zitten, rij aan rij in glazen hokjes, zo'n honderdtwintig jongeren vanachter computers te bellen. Het zijn bijna allemaal studenten. Ze moeten per week minimaal twee dagdelen van drie uur en drie kwartier werken, maar mogen zelf bepalen wanneer ze komen. Als ze een week verhinderd zijn, kunnen ze dat later inhalen. Het werk verdient relatief goed: ongeveer vijftien gulden per uur.

Naast het raam zit Peter Hoffman (27), zevendejaars student Nederlands. Van het scherm leest hij de vragen op aan de eigenaar van het transportbedrijf dat hij aan de lijn heeft. “Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf? Hoeveel daarvan hebben een eigen bureau?” Peter doet al anderhalf jaar lang 'CO42': een vast onderzoek om te zien hoe het Nederlandse bedrijfsleven ervoor staat. “Ik doe het op de automatische piloot, ik ken bijna alle vragen zo langzamerhand uit mijn hoofd. Het is vrij saai, maar als ik een dag hard heb gestudeerd, vind ik het wel fijn, vooral als ik niet al te moeilijke mensen aan de lijn krijg. Het geld heb ik absoluut nodig, want ik krijg geen studiebeurs meer.”

Psychologiestudente Ellen van den Dungen (21) heeft nog wel een beurs, maar ook zij kan het geld niet missen. “Ik kan me niet voorstellen dat er studenten zijn die het zonder bijbaantje kunnen bolwerken. Of ze moeten veel geld van hun ouders krijgen.” Ze ervaart dat studeren en werken elkaar nog wel eens bijten. “Soms denk ik: als ik vanmiddag ga werken in plaats van mijn tentamen voorbereiden, heb ik vijftig gulden. Als ik thuis blijf, loop ik het risico mijn tentamen èn die vijftig gulden te missen.”

Het is een typerend dilemma voor de hedendaagse studenten. De uitgeklede studiebeurs noopt hen bij te verdienen om collegegeld, boeken en levensonderhoud te financieren - als zij althans geen duizenden guldens per jaar willen lenen. Maar door die bijbaantjes missen zij steeds vaker colleges en tentamens. Prof.dr. P.W.C. Akkermans, rector magnificus van de Rotterdamse Erasmus universiteit, maakt het maar al te vaak mee. “Een kwart van de eerstejaars studenten aan de Erasmus werkt per week twintig uur of meer. Dat vind ik te veel. Vaak lijdt de studie eronder. Op een aantal faculteiten hebben we een onverantwoord hoog aantal uitvallers, hoger dan de afgelopen jaren. Wanneer wij bij Economie zogenoemde exit-gesprekken voeren met uitgevallen eerstejaarsstudenten, dan horen wij vaak: ik vond het leuk, ik kon de studie ook wel aan, maar met een baan erbij heb ik te veel hooi op mijn vork genomen.”

In zijn welkomstoespraak tot de aankomende studenten adviseert Akkermans dan ook niet te gaan werken naast hun studie. Want de bijbaantjes gaan niet alleen ten koste van de studieresultaten, ze zadelen de universiteit ook op met grote organisatorische problemen. “Wij moeten steeds vaker tentamens of colleges verzetten omdat studenten door hun werk verhinderd zijn. Daarom zijn we nu aan het kijken of we colleges buiten de college-uren elektronisch kunnen aanbieden. Een student zou eigenlijk een koffertje moeten krijgen met boeken, videobanden en geluidsbanden. Zo zouden we bij een aantal vakken de gespreide beschikbaarheid van de studenten kunnen opvangen.”

Voorlopig kan en wil een meerderheid van de studenten het zich niet permitteren zonder bijverdienste te studeren. Dat heeft niet alleen te maken met de teruggelopen studiefinanciering, maar ook met de veranderde levensstijl van de studenten. Die komt al lang niet meer overeen met het klassieke beeld van de arme sloeber op het zolderkamertje. De moderne student studeert een tijdje in het buitenland, heeft een (derdehands) auto voor de deur, en wil zich zijn ski- en zomervakanties niet ontzeggen. De tijd dat hij nog bloembollen at en één biertje per week dronk, zoals een Amsterdamse hoogleraar onlangs in een universiteitsblad zijn studententijd in de jaren vijftig beschreef, behoort al lang tot het verleden.

    • Joris Abeling