Arafat wint deze slag van Netanyahu

JERUZALEM, 26 SEPT. “De intifadah is opnieuw uitgebroken”, meldde gisteravond het Israelische televisiejournaal. Ook de Palestijnse radio en televisie, die alle aangekondigde programma's hebben geschrapt om zich op de gebeurtenissen te concentreren, meldden: “De intifadah is opnieuw begonnen” - aangevuld met oproepen als “Laat ze Jeruzalem niet in bezit nemen. Dat is onze hoofdstad”.

In werkelijkheid - zo vulde de Israelische televisie aan - is er ditmaal niet alleen sprake van een Palestijnse volksopstand, zoals in de periode 1987-1993, maar ook van een door Yasser Arafat geleide en georganiseerde oorlog. Andere waarnemers die de gebeurtenissen van zeer nabij volgden, komen tot een genuanceerdere conclusie. Wat zich gisteren in Ramallah en Bethlehem afspeelde en vanochtend met name in de Gazastrook, is een mini-intifadah, die gedeeltelijk door Arafats politie-eenheden, thans naar schatting 60.000 man sterk, met vuurwapens werd begeleid. Maar niemand weet of Arafat al zijn strijdkrachten in de hand heeft. De dynamiek van een opstand wordt nu eenmaal in laatste instantie niet door de leiders opgelegd, maar door de omstandigheden bepaald. De intifadah van de stenen is die van de kogels geworden.

Vaststaat dat Arafat niet officieel, maar via zijn getrouwen het groene licht gaf om de intifadah te hervatten - zonder aan te geven welke intifadah hij bedoelde. Vaststaat eveneens dat zijn door velen gehate politie-mannen weer helden zijn geworden. Gisteravond reden demonstranten en politiemannen in een konvooi door het centrum van Bethlehem. Ze juichten en zongen nationalistische liederen, als bij een overwinningsparade.

Uit de gebeurtenissen valt af te leiden dat sommige Palestijnse politie-officieren de demonstranten tot kalmte proberen te manen, terwijl anderen met groot animo de strijd tegen de Israelische militairen aanbinden. Volgens Palestijnse getuigen volgden in Ramallah jongere officieren domweg de bevelen niet op van hun commandanten om niet op de Israelische militairen te schieten. Luidsprekers riepen de demonstranten op om weg te gaan en “de nationale strijdkrachten de kans te geven hun nationale plicht te vervullen”. Maar de menigte gaf daaraan geen gehoor. Zij zong de revolutionaire liederen van vroeger, die de gewapende strijd tegen Israel verheerlijken.

“Ik heb geen toverstok, maar wel de kinderen van de intifadah”, zei Arafat eind vorige maand, nadat hij de eerste slag in “de oorlog om Jeruzalem” had verloren. Hij vroeg toen honderdduizend Palestijnen naar de Aqsa-moskee te komen “om Jeruzalem te redden”, nadat de Israeliërs een Palestijns opleidingscentrum voor gehandicapten in Oost-Jeruzalem hadden gebulldozerd, dat “zonder toestemming” van het gemeentebestuur was vernieuwd. Slechts heel weinig weinig gelovigen gaven gehoor aan zijn oproep.

Maar nu heeft Arafat een veel belangrijker slag gewonnen. Zijn politiek onervaren tegenstander, Benyamin Netanyahu, heeft te lang en te vaak laten zien dat hij de Palestijnen aan zijn Likud-laarzen lapt. Zijn voortdurend herhaalde conceptie van het vredesproces dat “vrijheid voor de Palestijnen en veiligheid voor Israel” belooft, werd op alle mogelijke manieren in woorden verpakt en door geen enkele daad gestaafd. Daarmee schiep hij de voedingsbodem voor het geweld van gisteren. Want de frustraties bij de Palestijnse bevolking èn overheid liepen steeds verder op: over Netanyahu's eisen om zich nòg beter te houden aan de gemaakte afspraken, gepaard met zijn voortdurende weigering om datgene uit te voeren waartoe de staat Israel zich reeds had verplicht. Steeds meer Palestijnen kwamen tot de conclusie dat het vredesproces tot niets leidde. “Als de joden oorlog willen, dan hebben we gisteren aangetoond dat we er klaar voor zijn”, zei vanochtend een Palestijnse activist.

Weken geleden al hadden de Israelische en Amerikaanse inlichtingendiensten gewaarschuwd dat men met een explosie rekening moest houden. En met ieder nieuw bericht over uitbreiding van de reeds bestaande Israelische nederzettingen groeiden aan Palestijnse zijde de woede, wanhoop en verbittering. Over de eigen totaal corrupte autoriteiten, die ervan werden beschuldigd dat zij “Palestina aan de joden hebben verkocht”. Maar meer nog over de steeds grotere misère, veroorzaakt door Israels 'afsluiting' van de Palestijnse gebieden, waaraan maar geen einde kwam.

Met de opening van een tweede toegang tot eeuwenoude, onderaardse tunnel in Oost-Jeruzalem sloeg de vlam in de pan. De beschuldigingen van Palestijnse religieuze hoogwaardigheidsbekleders en politici dat deze tunnel de Haram el-Sharif ondermijnt (het terrein waarop de Aqsa- en de Rotskoepel-moskee zijn gebouwd), berusten niet op feiten. Maar zij waren voor de gelovigen in Palestina voldoende reden om in actie te komen - ter verdediging van Jeruzalem en de islam. Arafat maakte behendig gebruik van de emoties. Hij riep de dag van gisteren uit tot “de dag van de strijd om de Aqsa-moskee”. En aan het buitenland liet hij weten dat “de Israelische regering over vrede praat en met het geweer spreeekt”. In Nablus sloten gisteren op bevel van de gouverneur de scholen en winkels. Kinderen van 12 jaar liepen met kartonnen pamflettten rond, waarop geschreven stond: “Jeruzalem is van ons. En het land is van ons en zal van ons blijven”. Overal hangt een sfeer van blijdschap dat er een eind is gekomen aan de tijd van vernedering.

Waarschijnlijk zal het geweld zich nu ook naar Jeruzalem verplaatsen, waar gisteren al op kleine schaal betogingen werden gehouden. De groot-Mufti van Jeruzalem, die daaraan deelnam, werd licht aan het hoofd gewond, toen een Palestijnse jongere een fles verkeerd gooide.

Arafat - daarover is iedereen het eens - heeft er alle belang bij de druk op de ketel te houden. “Maandenlang hebben wij zonder enig resultaat gewaarschuwd en aan de alarmbel getrokken”, zei vanochtend een zeer kritische Palestijnse intellectueeel. “Wat kregen we? Af en toe een handdruk, gefilmd door de televisie, plus het advies om ons nòg beter te gedragen en geduld te betrachten. Intussen kon Netanyahu zijn gang gaan. Hoe denk je dat dat aanvoelt, als je ook nog geen werk en geen inkomsten hebt? En als je weet dat je daaraan niets kunt veranderen, behalve met geweld?”

Niemand - noch aan Palestijnse, noch aan Israelische zijde - gelooft dat deze oorlog het definitieve eind betekent van het vredesproces, dat het laatste jaar, reeds onder de premiers Rabin en Peres, steeds zieker werd en onder premier Netanyahu in een diepe coma belandde. Maar evenmin weet men of er een snel eind in zicht komt van de oorlogshandelingen. En ook niet hoe en door wie het vredesproces weer nieuw leven wordt ingeblazen.

Vaststaat dat Arafat grote politieke winst heeft geboekt. Hij is in de ogen van zijn volk weer de revolutionaire en strijdvaardige leider van vroeger. En aan de bezorgde buitenwereld laat hij zien hoe desperaat de Palestijnen worden als zij geen snelle hulp, in de vorm van zware, politieke druk op Israel, ontvangen. Netanyahu is in het defensief gedrongen. Gisteren gaf hij in een radio-interview de hele Arabische wereld, alsmede “bepaalde elementen in Israel” de schuld van alle ellende. Hij ademt de sfeer van vóór het vredesproces, toen alle Israelische premiers hun politiek verdedigden met de leuze; “De hele wereld is tegen ons”.

Hij wordt nu ook door zijn eigen partijgenoten aangevallen. Joseph Lapid, een journalist die bekend staat om zijn sympathie voor de regerende Likud-partij, drukte vanochtend in de krant Ma'ariv de hoop uit dat “Bibi de juiste conclusie zal trekken uit wat er gebeurd is, en niet met macho-oplossingen voor deze ingewikkelde situatie zal komen. Het wordt tijd wijsheid te betrachten in plaats van ons gelijk te bewijzen.” En in Ma'ariv schreef Avraham Tirosh dat Netanyahu moet ophouden met zijn kinderachtige spelletje: “wie is de sterkste jongen in de buurt?”

De man die zich zo stoer betoonde, gaf gisteren zelf toe dat hij het tijdstip voor het openen van de tunnel in Oost-Jeruzalem niet gelukkig had gekozen. Eerder had al Uzi Baram, de minister van toerisme in de regering-Peres, die opening “de daad van een imbeciel” genoemd. De vorige regering had , zo onthulde hij, drie maal daarvan afgezien, omdat zij wist hoeveel rotzooi dat zou geven.

“We hebben geen vrede en geen veiligheid. We zitten in grote problemen”, schreef vanochtend de beroemde Israelische schrijver David Grossmann in de krant Yediot Ahronot. Velen, nu ook in de Likud, zijn het met hen eens.