Vaart

Je gaat met de trein en het landschap schiet voorbij; met een fiets of een zeilboot glijdt het voorbij, en met een kar of een roeiboot kruipt het voorbij. Pas als je loopt staat het stil, het landschap, en ben je het zelf die voorbijgaat. Wat een plotselinge ommekeer - daar moet toch iets tussenin zijn, zou je zeggen.

Heel langzaam fietsen misschien, of steeds harder gaan lopen; van het ene moment op het andere zal de vaart zich voor iemand die hardloopt naar het landschap verplaatsen.

En weer terug bij vertraging. Dan komt alle beweging opnieuw bij de hardloper terecht, en daarmee slaat tevens de vermoeidheid toe; uitgeput ligt hij op zijn rug in het gras. En kijkt naar de wolken die overzeilen, altijd maar door en uit eigen beweging.