Kerk, industrie en kunst verhieven Brabant

Tentoonstelling: De Muze als Motor. Beeldende kunst in Brabant 1796-1940. Noordbrabants Museum, Verwerstraat 41, 's-Hertogenbosch. T/m 1 dec. Di t/m vr 10-17u, za-zo 12-17u. Catalogus ƒ 49,50

Het 200-jarig bestaan van de provincie Brabant wordt dit najaar ook gevierd met vier exposities onder de titel De Muze als Motor. In dit kwartet, verspreid over Eindhoven, Tilburg en Breda, functioneert de tentoonstelling in het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch als startmotor. De moderne beeldende kunst kwam in Brabant wat moeizaam op gang - pas na 1945 komt zij tot bloei. Drie tentoonstellingen zijn gewijd aan de naoorlogse periode, in 's-Hertogenbosch kan men kennismaken met anderhalve eeuw Brabantse kunst(nijverheid).

Tot 1796 was Brabant een achtergebleven wingewest van de zeven noordelijke provinciën. De gewestelijke zelfstandigheid gaf niet alleen de stoot tot de ontwikkeling van een zeker Brabants zelfbewustzijn, maar ook tot het ontstaan van industrie. De beeldende kunsten functioneerden hierbij als een van de drijvende krachten. In verschillende plaatsen werden tekenscholen opgericht en genootschappen voor kunst en wetenschap. Ook de weer in het openbaar actieve katholieke kerk met bisdommen in Breda en 's-Hertogenbosch droeg bij aan het langzaam groeiende zelfvertrouwen. Toch bleef het cliché-beeld van Brabant als 'het donkere zuiden' dat werd bewoond door 'blanke Javanen' en 'reserve-Vlamingen' tot in deze eeuw bestaan.

De expositie bestaat uit twee delen: een cultuurhistorisch gedeelte en een 'Parade' van Brabantse kunstenaars met zo'n 150 werken van 35 schilders en slechts één beeldhouwer, de neoclassicist J.A. van der Ven. In het eerste deel is rond zes thema's, zoals De vooruitgang verbeeld, Historie als bron van inspiratie, Het katholieke Brabant en het Kunstonderwijs, een aantal (kunst)voorwerpen, tekeningen en schilderijen bijeengebracht.

De tegeltableaus van fabriekscomplexen met rokende schoorstenen, een historieschildering van de 15de-eeuwse Jeroen Bosch in zijn atelier of een groepsportret van het bestuur van de Koninklijke School voor Kunst, Techniek en Ambacht in Den Bosch zijn meer curieus dan van grote artistieke waarde.

De neogotische kerken van architect Pierre J.H. Cuypers (1827-1921) droegen ook in Brabant veel bij aan de opleving van het rijke roomse leven. Andere voorwerpen maken nieuwsgierig, zoals een fraai houten kistje met zijdeprodukten uit 1830. Slaagde de Maatschappij tot invoering van de zijdeteelt er in om in Sint-Michielsgestel zijde te gaan produceren?

Bijzonder zijn de tekeningen die de later zo succesvolle poezen-schilderes Henriëtte Ronner-Knip (1821-1909) op vier-, vijf- en zesjarige leeftijd maakte. De geitjes, paarden en koeien zijn kinderlijk, maar tegelijk verrassend knap getekend. Henriëtte was een telg uit het Brabantse kunstenaarsgeslacht Knip. Vader Josephus Augustus Knip (1777-1847), die deze tekeningen van zijn talentvolle dochter bewaarde, schilderde Italianiserende landschappen. Henriëtte's tante Jetje specialiseerde zich in bloemstillevens en ook oom Derk was een niet onverdienstelijk schilder; haar broer August legde zich toe op het schilderen van kleinvee.

Hoe trots Brabant ook is op deze schildersfamilie, uit hun biografieën blijkt dat zij voornamelijk buiten Brabant werkzaam waren. Bij de meeste andere schilders van artistiek belang is dit eveneens het geval: Adriaan de Lelie, Van Gogh, Antoon Derkinderen, Jan Sluijters en Hendrik Chabot. Hun werk is ruim vertegenwoordigd in de 'Parade'.

Hier kan men ook minder bekende Brabantse meesters ontdekken, zoals twee schilders van populaire 'kaarslichtjes' uit de eerste helft van de negentiende eeuw, Petrus van Schendel en Jan Hendrik van Grootvelt. Van Schendels verbeelding van de Heilige Antonius die bij kaarslicht verleid wordt door een groepje gedecolleteerde dames heeft iets aandoenlijk braafs.

Antoon van Welie, die later carrière maakte als gevierd portrettist, beleefde toen hij tussen 1895 en 1904 was teruggekeerd in Den Bosch een korte symbolistische periode. Hij kon zijn poëtische tekeningen van bleke meisjes aan de straatstenen niet kwijt en verdiende noodgedwongen de kost met het ontwerpen van reclamedrukwerk. Als kunstenaar-ambachtsman kon men in de periode 1796-1940 in Brabant nog wel werk vinden, voor een vrije kunstenaar was dat zo goed als onmogelijk. Vrijwel iedere Brabantse kunstenaar die meer ambieerde vertrok naar elders.