Heimat

De rebel Fassbinder, de dromer Wenders, de romanticus Herzog, de intellectueel Kluge, de verteller Schlöndorff, de dweper Syberberg en de maatschappijtherapeute Von Trotta, geen van de leden van het illustere, ten onrechte alweer bijna vergeten gezelschap dat in de jaren zeventig de neue deutsche Welle vormde, heeft ooit zo'n krankzinnig en intrigerend filmproject tot stand gebracht als hun veel minder prominent aan de weg timmerende bentgenoot Edgar Reitz (Morbach in de Hunsrück, 1932).

Heimat (1984) duurt vijftien uur en veertig minuten, vormt de kroniek van een Duits boerendorp tussen 1919 en 1982, werd gefinancierd als een elfdelige televisieserie, maar opgenomen op het bioscoopformaat 35mm. Bij de wegens de extreme lengte zeldzame integrale projecties, bleek Heimat wel degelijk een complete, aan de hoogste verwachtingen beantwoordende film. Niet alleen schonk Reitz de diehards onder de kijkers, die de personages van verschillende generaties van haver tot gort leerden kennen, het plezier dat bij ingewijden hoort, maar zijn film had ook daarbuiten grote invloed: op de vormgeving van langere historische periode beslaande films en dramaseries, op de vrijheid in het intuïtief afwisselen van kleur en zwart-wit en vooral op een herwaardering in stedelijke kring van het belang van het platteland als dramatische bron.

De centrale inspiratie van Reitz vormde, naast zijn persoonlijke herinneringen aan de Hunsrück, de gedachte dat nooit eerder in de geschiedenis een deel van de wereldbevolking, namelijk in de toonaangevende geïndustrialiseerde landen, in meerderheid niet meer woonde in het huis waar men geboren is. Hoe dat proces vorm kreeg, en wat daarbij verloren ging, toont Reitz in precieze, niet in eerste instantie nostalgisch getinte, exemplarische anekdotes. Hij heeft oog voor de ontwikkelingen op het gebied van economie en techniek, voor de specifieke aspecten van de beladen Duitse geschiedenis, voor de particuliere relaties in familie en gezin. Het belangrijkste thema is de keuze tussen blijven en weggaan, de ingewikkelde wisselwerking tussen heimwee en Fernweh, zoals het eerste deel heet. De figuur van Hermann, het in de jaren dertig geboren liefdeskind van aartsmoeder Maria, lijkt het meest op Reitz: hij verlaat het dorp en is de eerste vertrekker die in de stad doorleert, als componist. Enkele jaren later wijdde Reitz aan dit personage het nog langere vervolg, Die zweite Heimat. Logistiek herhaalde Reitz het compositorische hoogstandje van een monsterdrama, maar het magische effect, veroorzaakt door de universele herkenbaarheid van de snelle verstedelijking in deze eeuw, was veel minder groot.

Van alle beelden uit Heimat die me gedetailleerd bij zijn gebleven, is dat van de weg die het (fictieve) dorp Schabbach met de rest van de wereld verbindt het sterkst. In 1928 is het een landweggetje, als Maria's man Paul erover wegloopt om een biertje te gaan halen. Achttien jaar later keert hij terug als rijke Amerikaan, en staan er telefoonpalen langs. Paul brengt voorspoed, kapitalisme en andere nieuwigheden mee; hij is onbesmet door de moeilijke, schuldige jaren en zet de eerste stap naar de transformatie van dorp tot stad, en van de wereld tot dorp. In geen eeuwen veranderde Schabbach als in de volgende vijftien jaar.