Een eind aan de internationalisering

16de Nederlands Filmfestival. In: Camera, Studio, Rembrandt en 't Hoogt, Utrecht. Tot en met 4 oktober. Inl. 030 2343629/ 2343788.

AMSTERDAM, 25 SEPT. In de film waarmee vanavond de 16de editie van het Nederlands Filmfestival (voorheen: de Nederlandse Filmdagen) geopend wordt, Paula van der Oests eerste lange bioscoopproduktie De nieuwe moeder, spreekt de Letse hoofdpersoon Nederlands. Het verhaal wil dat hij die taal in Riga geleerd heeft van zijn Nederlandse grootvader en aanscherpte in de correspondentie met een Nederlandse pen pal. De praktijk was dat de ook in werkelijkheid Letse acteur Janis Reinis zijn teksten fonetisch uit het hoofd moest leren.

Voor een andere premièrefilm, de Portugees-Nederlandse coproductie Dying to Go Home van George Sluizer en Carlos da Silva, deed de Portugese acteur Diogo Infante hetzelfde; hij vertolkt de schim van een in Nederland overleden en begraven allochtoon.

Andere nieuwe films in het programma zijn de Drents gesproken, Nederlands ondertitelde lange speelfilm De kersenpluk van Arno Kranenborg (net als De nieuwe moeder geproduceerd door René Scholtens Studio Nieuwe Gronden, waaraan het festival een retrospectief wijdt) en de Fries gesproken, Nederlands ondertitelde videospeelfilm De gouden swipe van Alex Bordewijk. Het lijkt erop dat de lang als panacee voor de problemen van de Nederlandse filmproduktie aanbevolen 'internationalisering' plaats maakt voor een andere opvatting. In het buitenland succesvolle Nederlandse films blijken Nederlands van aard en onderwerp te zijn (De jurk van Alex van Warmerdam, Zusje van Robert Jan Westdijk) of als zodanig waargenomen te worden (Antonia van Marleen Gorris). De logische volgende stap is het benadrukken van regionale eigenaardigheden. En als we dan toch zo nodig het buitenland moeten betrekken bij onze films - ook thematisch bijna onvermijdelijk, zoals Johan van der Keuken laat zien in de beste film van het jaar, de documentaire Amsterdam, Global Village, waarom zouden we dat dan niet doen vanuit een specifiek Nederlandse invalshoek? Laat die buitenlandse acteurs dan maar Nederlands leren, desnoods net als in het echt vermengd met een mondje Engels hier en daar. De door angst voor economisch terreinverlies ingegeven mode om Engelstalige Nederlandse films te maken lijkt gelukkig weer even snel te zijn verdwenen als het competitieonderdeel van Europese speelfilms in het Utrechtse festival.

In meer opzichten markeert deze editie van de jaarlijkse balans van de eigen filmcultuur het begin van verandering. De Oscar voor Gorris en de eerste grote bioscoophit van eigen bodem sinds jaren (Filmpje! met Paul de Leeuw) konden dit jaar de metaalmoeheid in het werk van de gevestigde producenten niet verhullen. De meest interessante figuren in het Nederlandse filmlandschap zijn zelf gaan produceren (Van Warmerdam) of zelfs zonder noemenswaardige subsidie financiering gaan zoeken (Westdijk, Theo van Goghs Blind Date, de bij wijze van verrassing en buiten competitie in het festival gepresenteerde derde speelfilm van Eddy Terstall, Hufters en hofdames). Zowel de met filmbeleid in Nederland belaste instanties als directie en bestuur van het Nederlands Filmfestival kunnen niet meer ongestraft de ogen sluiten voor de ophanden zijnde generatiewisseling en zullen op moeten houden met het systematisch de hand boven het hoofd houden van de ernstig verzwakte gevestigde orde.

    • Hans Beerekamp