Dood van een huisdier

Foti is bijna niet meer te aaien. Dat wil zeggen, zijn vel wel maar hijzelf, daarin, niet of nauwelijks. Binnen zijn vacht is zijn volume akelig verkleind. Hij eet al dagen niet meer. Als je hem aait, hoe zacht ook, moet dat op de paar plekken waar zijn magerte minder evident is.

De meeste oude aaiplaatsen zijn in onbruik geraakt. Zijn rug is bijna een gekarteld mes. En zelfs zijn staart is graatachtig geworden. Maar tussen zijn oren en langs zijn wangen en over zijn heupen kun je hem aaien zonder de grote vrees dat hij daar eigenlijk al te zwak voor is.

Ik steek mijn neus in zijn vacht en ruik zijn heerlijke geur. Het zou zo uit een flacon kunnen komen, als peperduur parfum. Hoe zou het moeten heten? Fotiman? Majoor Foti? On all Fours? Hij van zijn kant, wil ik wel bekennen, heeft ook altijd een hartstochtelijke appreciatie aan de dag gelegd voor mijn geur. Het was over en weer. Wanneer ik terugkwam van tennissen probeerde hij te verdwijnen, kop voorop, in een oksel. Als je je hoofd tegen zijn kop legt, weet je dat hij spint. Maar het is al niet meer te horen. Voor wie hem kent, is het hoogstens bespeurbaar als een heel lichte trilling.

Ik heb mijn jack, dat gelukkig al een poos niet gestoomd is, onder een stoel gelegd. Het wil dienen als een soort van laatste, hopelijk min of meer prettige verblijfplaats. Hij is nu zo verzwakt dat hij nauwelijks nog een meter af kan leggen. Zijn achterlijf zwabbert. Veel keus heeft hij niet meer. En toch lijkt er voorlopig geen einde te komen aan zijn steeds voortschrijdende verzwaktheid. Alsof het altijd nog een nieuw klein beetje minder kan. Zelfs het liggen, het liggen als zodanig, het liggen zelf, datgene waarin een kat toch als het ware gespecialiseerd is, de sierlijke cirkel met de rondgelegde staart, zelfs het liggen heeft nu iets slordigs en lukraaks gekregen. De minieme krachtsinspanning, ook daarvoor per slot nog vereist, blijkt niet langer leverbaar.

Zijn geluidjes, geluidjes van niks, de meest minieme geluidjes ter wereld, heel zacht en heel kort, al voorbij als ze begonnen zijn, de geluidjes die we tijdens zijn laatste weken en dagen steeds beter hebben leren kennen - ze zijn alweer voorbij en verdwenen. Ieder van ons hoorde er iets anders in. Zegt hij wat? Vraagt hij iets? Deelt hij iets mee? De meningen over het zogenaamde inslapen zijn verdeeld. Drie van de vier personen in dit huis zijn er domweg op tegen. Zij wijzen de vierde, die in tranen is, erop dat Foti voorzover medisch bekend of voor zijn omstanders zichtbaar geen pijn heeft.

Het is een vreemde gedachte dat Foti, indien mens, al lang aan de infuzen en andere machinerie zou hebben gelegen, dat wij de routiniers zouden zijn geworden van het parkeerterrein van een of ander ziekenhuis, alwaar wij bloemen in vazen zouden zetten, een hand vasthouden, en ons ongetwijfeld afvragen of we de verpleging maar niet liever zelf op ons zouden nemen: thuis.

Er is heel weinig wat we kunnen doen. Hem verplaatsen naar prettiger plekjes dan de koude tegel waarop hij zomaar is blijven liggen. En geroerd zijn door de grondige zorg die zijn broer aan hem besteedt: zelfs Foti's staart wordt door hem meegenomen bij het broederlijk likken dat niet langer gebaseerd is op ruil. Natuurlijk is dit de Foti al niet meer die wij gekend hebben. De springer langs de rozenstruik. De ligger op het platte dak. De zitter op het vuilnisvat. De altijd parate uitlokker en in ontvangstnemer van aai en knuffel, zowel tweehandig als vierhandig. De verontruste vrager om voedsel. De zich uiterst bekwaam in linnenkasten verstoppende. De aan antiek meubilair zich illegaal de nagels scherpende. De onbekrompen zijn dubbele knipoog schenkende.

De minieme geluidjes, zo vroeg een van ons vieren zich gekweld af, waren dat eigenlijk verzwakte verzoeken? Maar hoe luidend dan precies? Zou Foti iets bedoeld kunnen hebben in de trant van: Verlos mij? Dit restje leven is mij als poes onwaardig? Slaap mij in? De andere drie bleven vasthouden aan het idee dat sterven een daad is, een daad uiteindelijk van niks misschien, maar toch zijn daad en zijn prerogatief, niet uitbesteedbaar. En zo is het ten slotte dan gebeurd, het ongeholpen sterven. Op schoot geaaid, onbedaarlijk betreurd.