De oneerlijke vinder

Toen ik onlangs las dat het manuscript van De avonden geveild gaat worden, moest ik denken aan een voorval dat enkele jaren geleden plaatshad.

Gerard Reve had ongeveer een jaar lang gecorrespondeerd met mijn vader, naar aanleiding van een lezing die hij had gehouden in het psychiatrisch ziekenhuis waar mijn vader destijds werkzaam was als geneesheer-directeur. De brieven van Reve waren grotendeels gevuld met beschrijvingen van zijn dromen, steevast gevolgd door een interpretatie op basis van de theorieën van Jung. Ze bevatten enkele malen verzoeken om laudanum, die door mijn vader natuurlijk niet werden ingewilligd. (Reve wilde, in navolging van enkele decadente schrijvers uit de negentiende eeuw, experimenteren met dit goedje om te zien wat voor effect het op zijn schrijven zou hebben).

Na een intensieve briefwisseling (soms vielen er wel drie brieven tegelijk op de mat) kwam er plotseling een einde aan de correspondentie. Ik vermoed omdat de uitvoerige en consciëntieuze wijze waarop mijn vader de brieven beantwoordde, Reve belemmerde zijn droomverhalen vrijelijk aan het papier toe te vertrouwen. Waarschijnlijk had hij mijn vader, de psychiater, meer als klankbord willen gebruiken. Zoals bij veel correspondenten van Reve het geval is geweest, ging hij zelden tot nooit op de inhoud van brieven in.

Op een dag wilde ik voor mezelf enkele brieven van Reve aan mijn vader kopiëren. Ik stopte ze in een plastic tas en fietste, met een gevoel of ik met bankbiljetten van duizend gulden over straat ging, naar het Utrechtse instituut waar ik Nederlands studeerde. Zo onopvallend mogelijk maakte ik de kopieën en spoedde mij huiswaarts, waar ik merkte dat ik een van de brieven niet had gekopieerd. Ik kon het origineel niet meer vinden. Terwijl ik de plastic tas koortsachtig doorzocht zag ik dat er een gat ter grootte van mijn vuist in zat. Talloze malen fietste ik het traject van mijn ouderlijk huis naar het instituut en terug, maar van de brief geen spoor. Ik heb de route zelfs nog een keer als een soort boetedoening te voet afgelegd, maar tevergeefs. Het was windstil, dus de brief kon niet zijn weggewaaid. Er was maar één conclusie mogelijk: iemand had hem gevonden en meegenomen.

Een tijd later was ik net bij mijn ouders toen de postbode langskwam. Tussen nota's en reclamedrukwerk stak een enveloppe, gericht aan mijn vader, die ik om de een of andere reden openmaakte. “Geachte heer Hardeman, Gisteren vond ik op straat een aan U gerichte brief van Gerard Reve. De enveloppe was geopend en ik heb de brief (dus?) gelezen. Gezien de afzender zend ik U de originele brief niet terug. Mijn hebzucht weegt zwaarder dan mijn goede manieren. Wel zend ik U de kopieën van de brief, om U niet te versteken van de informatie die erin staat. Hopende dat ik U niet gekrenkt heb met mijn onbehoorlijke gedrag, wens ik U een prettige vakantie in Frankrijk toe. M.B.”

Na mijn aanvankelijke woede realiseerde ik mij dat M.B. te U. in elk geval een geletterd persoon was. Dat was tenminste iets. Moest ik hem nu een schurk vinden of niet? Enerzijds natuurlijk wel, anderzijds was hij wel zo vriendelijk geweest om kopieën te sturen. Ook de opmerking dat zijn 'hebzucht zwaarder woog dan zijn goede manieren', nam me vreemd genoeg voor hem in. Wat zou ik hebben gedaan als ik zomaar op straat een brief van Gerard Reve had gevonden? Wellicht precies hetzelfde. Ik besloot mijn vader van dit alles voorlopig niet op de hoogte te stellen. Hij wist niet eens dat ik de brieven had meegenomen.

Enige tijd later zat ik met een vriendin in een druk café. Ze leunde voorover en zei dat ze me een schitterend verhaal moest vertellen. Het ging over een jongen die ze kende, een student Nederlands. Ze noemde zijn naam. Die jongen had op een keer op straat een brief gevonden. Hij had hem opgeraapt en het bleek een brief van Gerard Reve te zijn! Ze keek me aan. “Jij bent toch een fan van Reve?” Ik knikte. Ik had het gevoel of ik in een roman was beland. Utrecht is een kleine stad, maar dit was toch wel heel opmerkelijk. Ik weet achteraf niet meer of ik haar toen meteen heb onthuld dat ik degene was die die brief verloren had. Waarschijnlijk heb ik er uit schaamte nog een poosje over gezwegen.

Weer wat later fietste ik met dezelfde vriendin langs de Vecht, op weg naar haar flat. Er reed ons een stel tegemoet. Ik geloof dat de jongen een bril droeg met een metalen montuur en een beige regenjas, maar dat weet ik niet eens meer zeker. “Kijk!” zei mijn vriendin, “dat is hem nu!” Ik begreep haar niet. “Wie is hem nu?” “Nou, die jongen die die brief van Reve toen gevonden heeft!” Menno ter Braak, zoals ik hem in gedachten had gedoopt, was inmiddels al zo ver van ons verwijderd dat ik alleen nog maar zijn regenjas kon ontwaren. Had ik hem van zijn fiets moeten trekken om hem eens duchtig onder handen te nemen, of hem op z'n minst iets beledigends moeten naroepen? Het sop leek me de kool niet waard.

Hij had weliswaar die brief, maar ik wist wie hij was.