Choreograaf Hans Tuerlings voltooit De Reis van Céline's Bardamu; Een zinloze 'blabla' van bewegingen

Voorstelling: De Reis 4 Ça va pas... door Raz/Hans Tuerlings. Choreografie: Hans Tuerlings; muziek: Serge Gainsbourg, Jeroen van Vliet. Gezien 24/9, Frascati Amsterdam. Aldaar t/m 28/9. Tournee t/m 15/3.

Als iemand op de gedachte moest komen, dan was het wel de Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline: in 1945 introduceerde hij de term 'blabla' voor het gebruik van veel woorden waarmee niets wordt gezegd. Weinig schrijvers hebben de mensen en de onzin die zij voortbrengen dan ook zo hartstochtelijk geminacht als Céline: in zijn debuutroman Voyage au bout de la Nuit treft de hoofdpersoon Bardamu niets dan smerigheid in een wereld als een zwijnenstal.

Choreograaf Hans Tuerlings was van dat boek diep onder de indruk en maakte er in ruim vier jaar een vierluik over. Na de nog tamelijk anekdotische delen De Reis, geïnspireerd op Bardamu's Europese belevenissen tijdens de Eerste Wereldoorlog en De Reis 3 over zijn tijd in Amerika, volgde vorig jaar De Reis 2 sans peau et sans arrêtes. In dat deel, over Bardamu's omzwervingen door Afrika, had Tuerlings de sobere opzet gevonden waarin de geest van het boek als een mokerslag aankwam, terwijl aan de anekdote nauwelijks een beweging werd vuilgemaakt. Met weinig meer dan een rieten mat en vier dansers die minuten lang verveeld voor zich uit zitten te kijken.

De Reis 4 Ça va pas... is een waardig slot van Tuerlings' onderneming. Bardamu is bij Parijs aangekomen. Hier weer dezelfde ingrediënten als in De Reis 2: een kaal toneel, deze keer alleen omzoomd door gifgroene gordijnen; de zwarte kleding in stijlvolle snit; die ene danser die bedroevend uit de toon valt, nu omdat hij naakt is. En vooral: de verrukkelijk ontevreden oogopslag van de dansers - met hier en daar een arrogant glimlachje.

Maar De Reis 4 bevat meer beweging dan het laatste deel. Hier is de dans dan ook het punt van vertrek, bron van vergeefsheid en een vorm van troost tegelijk.

Ieder deel wordt ingeluid met een klassieke houding aan een denkbeeldige ballet-barre. Dan volgen behoedzame passen waarbij het overbodige is weggelaten. Toch worden ze hoogst onverschillig uitgevoerd. Ieder voor zich meestal, om er abrupt weer de brui aan te geven. Dan lopen ze nuffig de coulissen in, of ze staren misprijzend naar de toeschouwer. Steeds hernemen de dansers zich, dezelfde serie wordt ook in wisselende bezetting herhaald - en wederom resoluut afgebroken voor een apathische blik. Blabla van bewegingen die ook al geen uitweg bieden - zoveel is duidelijk.

Ronduit hilarisch is dat wanneer de muziek van Serge Gainsbourg op dezelfde wijze wordt ingezet. Zijn Je t'aime moi non plus komt eerst in een orgelmuzak-versie tot ons, dan in oorspronkelijke vorm en wordt tot slot nog eens gespeeld op een electrische gitaar. Het zijn even vergeefse pogingen om met een hijg-hit nog wat zin te geven aan Célines verrotte wereld.

Louis-Ferdinand Céline beschouwde dans als een troost van schoonheid. Hij heeft balletten gemaakt om zijn werkelijkheid van verval het hoofd te bieden, maar niemand wilde ze uitvoeren. Door zijn dans als exquise hapjes op te dienen, biedt Tuerlings in De Reis 4 alsnog wat soelaas. Maar de beweging is zo geconcentreerd, dat de nasmaak even bitter als Céline is.