China en Japan praten over eilanden

PEKING 25 SEPT. Achttien jaar nadat China's opperste leider in ruste, Deng Xiaoping, met zijn Japanse gesprekspartners overeenkwam hun dispuut over de souvereiniteit over de Diaoyu- of Senkaku-eilanden te laten rusten “omdat geen van ons wijs genoeg is daarvoor een oplossing te vinden”, is de discussie gisteren in New York weer opgepakt.

De Japans/Chinese tegenstellingen over de miniscule, onbewoonde eilanden in de Oostchinese Zee zijn weer opgelaaid door de bouw in juli - en een daarop volgende reparatie begin deze maand - van een vuurtoren op één van de eilandjes door Japanse nationalisten. Aangespoord door de felle reacties die daarop zijn gekomen uit Hongkong, Taiwan en China zelf, hebben de Chinese minister van Buitenlandse Zaken, Qian Qichen, en zijn Japanse collega Yukohiko Ikeda gisteren - in de marge van de bijeenkomst van de Verenigde Naties - getracht een oplossing te vinden voor het conflict.

Of de leiders van nu wijzer zijn dan die van eertijds, zal nog moeten blijken. Maar zeker is dat het huidige China evenals in 1978, toen het land aan de vooravond stond van herstel van de betrekkingen met de Verenigde Staten, gebaat is bij stabiliteit binnen de Aziatische regio. De leiders in Peking weten dat een militair optreden in het gebied rond de olierijke Diaoyu- of Senkaku-eilanden zou kunnen resulteren in een versterkt verbond tussen Washington en Tokio.

Het waren tenslotte de Verenigde Staten die in 1971 de eilandengroep, in verband met de na-oorlogse beëindiging van het Amerikaanse militaire bestuur op Okinawa en de omliggende eilanden - waaronder ook de Diaoyu- of Senkaku-eilanden -, overdroegen aan Japan. Mocht het tot een gewapend conflict komen, dan zullen de VS waarschijnlijk de kant van Tokio kiezen. Bovendien, zo weet men in Peking, met de Amerikaanse verkiezingen in zicht zouden Chinese militaire manoeuvres irrationele reacties in Washington tot gevolg kunnen hebben.

Anders dan regelmatig wordt gesuggereerd, heeft de voorzichtigheid die China betracht weinig van doen met de uitstaande yen-leningen van Japan aan China. Het Chinese ministerie voor Handel en Economische Betrekkingen zou onlangs geconcludeerd hebben dat - mocht het zover komen - Japan meer schade zal ondervinden van een handelsoorlog tussen beide landen dan China. “We verliezen liever miljarden yens dan een stuk grondgebied”, aldus China's militaire dagblad Defense Daily afgelopen week.

Ondanks de stelligheid van deze bewering, leert de praktijk dat Peking zijn uiterste best doet de ontevredenheid die in China is ontstaan over de acties van de Japanse nationalisten, de kop in te drukken. Zo zijn leden van de onlangs opgerichte niet-gouvernementele Federatie voor de bescherming van de Diaoyu-eilanden ervan weerhouden te protesteren en hebben haar leiders de hoofdstad moeten verlaten. Elders in Peking, op de Peking Universiteit, zijn studenten, die vorige week spandoeken uitrolden met daarop teksten als 'Zonder een Chinees visum dienen Japanners te vertrekken van de Diaoyu-eilanden' gesommeerd hun mond te houden.

De Chinese regering, die in verlegenheid lijkt gebracht door de plotselinge opbloei van het nationalisme dat de afgelopen jaren door haar zelf is gepropageerd, is van mening dat zaken aangaande internationale vraagstukken, primair opgelost dienen te worden door de Chinese autoriteiten zelf. Die overtuiging komt mede voort uit de angst die in Peking bestaat voor een herhaling van de gebeurtenissen die in 1985 plaatshadden. Toen resulteerden soortgelijke anti-Japanse demonstraties in rechtstreekse kritiek op het 'open deur'-beleid van de Deng Xiaoping.

In Hongkong gingen anderhalve week geleden tijdens een anti-Japanse protestmars 12.000 mensen de straat op. En ook in Macau en Taiwan werden in de afgelopen weken bijeenkomsten gehouden waarin herhaaldelijk oproepen voor militair ingrijpen werden gedaan. De Chinese autoriteiten, die geenszins van plan zijn op de aansporingen binnen en buiten China in te gaan, hebben zich onderwijl beperkt tot de mededeling dat de Diaoyu-eilanden een onlosmakelijk deel vormen van het Chinese grondgebied. China baseert zich daarbij op teksten en zeekaarten uit de 16de eeuw.

Voor Peking is de soevereiniteitskwestie een grotere rol gaan spelen nadat China in 1994 voor het eerst genoodzaakt werd olie te importeren. Na Japan is China met 150 miljoen ton per jaar de grootste afnemer van olie in Azië. Tien procent daarvan dient China te importeren. Volgens de berekeningen van energiespecialisten uit het Westen neemt dat percentage uiterst snel toe en zal China in 2010 ruim 100 miljoen ton olie dienen te importeren, tenzij het anderszins oplossingen vindt.

De Diaoyu-eilanden zouden, evenals de in de Zuidchinese Zee gelegen Spratly eilanden - die door zes landen worden opgeëist -, in die olie-behoefte kunnen voorzien. Een onderzoeksteam van de Verenigde Naties stelde eind jaren zestig vast dat het gebied rond de eilanden “één van de grootste olievooraden ter wereld bevat.”