Amsterdamse flexiprof is een loos gebaar

Zoals in de Odyssee roosvingerig steevast hoort bij dageraad, zo hoort in hedendaags Nederlands stroperig bij Ministerie van OCW, en dat geldt zeker als het om de rechtspositie van zittend universitair personeel gaat. Er was decennia lang geen verwikken of verwegen aan - niet bij het ministerie, en evenmin bij de instellingen zelf. De Alma Mater had deuren die maar naar één kant open gingen: naar binnen.

En omdat dat zo bleef, ook toen het binnen een dringen van jewelste geworden was, mocht aankomend talent vanaf de jaren tachtig nog slechts een paar jaar als AIO of OIO op de koude drempel zitten. In veel te veel gevallen betekende een succesvolle afronding van de promotie tevens het einde van de ontluikende wetenschappelijke carrière. Niet omdat het jonge volkje niet voldeed, maar omdat niemand plaats wilde of hoefde maken. Velen binnen en buiten de universiteit vonden dat onjuist, contraproduktief en zielig voor de betrokkenen, maar niemand deed er iets aan.

Het is dus niet zo gek dat deze krant het “even schrikken” vond, toen de Universiteit van Amsterdam vorige week zomaar met een plannetje kwam om hoogleraren, nu nog voor het leven benoemd, periodiek op hun functioneren te gaan beoordelen, met verlies van het ambt als mogelijke consequentie.

Hoewel: zomaar? De bekendmaking ervan, zo vlak nadat in de Troonrede met veel gevoel voor eufemisme voornemens werden aangekondigd om de “mobiliteit binnen de instellingen” te vergroten, kan nauwelijks toeval zijn. Hoe dat ook zij, schrik is niet nodig, want het valt reuze mee met het revolutionaire gehalte van het Amsterdamse idee.

Hoogleraren, is de gedachte, zouden hun positie kunnen verliezen door opheffing van hun leerstoel, of als gevolg van een interne beoordeling. Ze zouden bovendien in elk geval na 15 jaar terugkeren naar de rang van hoofddocent. Het eerste deel van het voorstel is loos: opheffing van de leerstoel, respectievelijk de vakgroep waarbinnen die leerstoel valt, was tot nu toe juist de enige manier om van een hoogleraar af te komen.

Het tweede gedeelte stelt ook niet zo veel voor. Vrij vertaald wordt de hoogleraar nieuwe stijl een hoofddocent met het hoogleraarschap als speciale tijdelijke opdracht voor een periode van vijf jaar, waarna die opdracht nog maximaal één of twee keer met vijf jaar verlengd kan worden. De zin daarvan, anders dan lippendienst bewijzen aan het idee van job-rotation, het modieuze wapen van de zwakke personeelsmanager, is onduidelijk.

Vakgroepen en onderzoeksteams zijn in het algemeen kleine gemeenschappen, waarbinnen de persoonlijke verhoudingen van groot belang zijn. De kans dat iemand die als hoogleraar te licht bevonden wordt - iets dat alleen behoort te gebeuren bij langdurig en ernstig disfunctioneren - vervolgens binnen datzelfde gemeenschapje wel vruchtbaar en harmonisch als hoofddocent zal functioneren, lijkt nihil, al was het maar omdat de druiven zuur zijn.

En omgekeerd: waarom zou je iemand die vijftien jaar lang naar volle tevredenheid als hoogleraar (of wat dan ook) aan zijn team leiding geeft, verbannen naar een ondergeschikte functie in datzelfde team? Dat is vragen om moeilijkheden.

Bovendien schrijft de gangbare mythologie voor dat onderzoekstalent opdroogt. Als dat waar is, dan wil je op de werkvloer jonge onderzoekers, die mettertijd doorgroeien naar meer leidinggevende en coördinerende functies, zoals het hoogleraarschap. Dit voorstel gaat daar recht tegenin.

Wellicht klinken hier zachtjes de laatste echo's van de jaren zeventig door, de gedachte dat iedereen een kans moet krijgen, ongeacht zijn inzet of capaciteiten. Maar geheel in stijl gaat het wel om een kans voor degenen die al binnen zijn. Het voorstel veroorzaakt immers niet meer dan een stroperige, interne stoelendans. Er komt geen enkele plaats vrij voor nieuw bloed, nieuw talent. De positie van de zittende medewerker, hoogleraar of niet, blijft even onaantastbaar als hij was. Een loos gebaar dus, dat Amsterdamse voorstel, op één aspect na dan: het wekt de indruk dat er heel wat gebeurt, en leidt zo opnieuw de aandacht af van het werkelijke probleem, de kanker die al jarenlang aan het fundament van het wetenschappelijk bedrijf, onderzoek evengoed als onderwijs, knaagt. De kanker die al decennia lang grote schade heeft aangericht, en die dat, als er niet snel een heleboel verandert, opnieuw decennialang zal gaan doen.

Een belangrijke bron van veel ellende ligt in het begin van de jaren zeventig, toen onder druk van razendsnel stijgende studentenaantallen grote hoeveelheden wetenschappelijk personeel werden aangesteld, in meerderheid toen jonge babyboomers. Hoe dat, bij de schaarste aan beschikbaar personeel, indertijd soms is toegegaan, daarover kunnen diezelfde mensen, nu vlotte vijftigers, nog mooie verhalen vertellen.

Onvermijdelijk zat er dan ook het nodige kaf onder het koren. Mensen die achteraf om allerlei redenen ongeschikt bleken of domweg niet functioneerden. Op zichzelf is dat geen ramp, als je ze op den duur maar vervangt door nieuw beschikbaar komend, beter personeel. Maar juist dat gebeurde niet. Wie eenmaal was aangenomen bleef zitten waar hij zat, en werd duurder en duurder. Zelfs erkende rampgevallen is nooit een strobreed in de weg gelegd.

En zulke rampgevallen bestaan echt. Zoals de alcoholist voor wie men in 1978 al de lift uitvluchtte en die al vele jaren geleden wegens wanprestatie geen onderwijs meer hoeft te geven. Of de medewerker die sinds mensenheugenis zó leuk en succesvol kunstzinnig bezig is, dat hij geen tijd heeft om onderwijs te geven of onderzoek te doen.

Maar ook de man die al twintig jaar lang af en toe één student een tentamentje afneemt en verder uitsluitend leuke onzinprogrammaatjes componeert op zijn aftandse PC, en iemand die het zó druk heeft met intrigeren en complotteren, dat hij zijn publicatielijst aanvult door onder zijn eigen naam in een obscuur blaadje de scriptie van een reeds lang vertrokken student te publiceren (weet die student immers veel).

En tenslotte iemand die de universiteit alleen als kantoor voor zijn privéwinkeltje in freelance bedrijfscursussen beschouwt. Al deze mensen bestaan echt, en houden zonder uitzondering al meer dan twee decennia lang een voor onderzoek en onderwijs bedoelde plaats bezet.

Mobiliteit bestond alleen voor de besten, die in het buitenland een aantrekkelijke post konden vinden. Zo daalde vanzelf in de loop van de tijd het gemiddeld niveau van het wetenschappelijk corps, een daling die nog versterkt werd doordat de achtergelaten plaatsen maar al te vaak vlot werden wegbezuinigd of omgezet in improduktieve maar modieuze managersfuncties.

Door een gebrek aan visie en aan de moed om een behoorlijk personeelsbeleid te voeren, hebben ministerie en universiteiten gezamenlijk willens en wetens de toekomstige continuïteit van het universitaire bedrijf ernstig in gevaar gebracht. Het is veel erger dan alleen een vergrijzingsprobleem. Veel maar moeilijk herstelbare schade is al aangericht, onder andere af te meten aan het gedaalde prestige van Nederlandse academische titels in toonaangevende buitenlanden.

Maar nog veel meer schade zal bij ongewijzigd beleid in de komende jaren ontstaan, als voor de babyboomers het grote afzwaaien begint. Opnieuw zal er, net als aan het begin van de jaren zeventig, in korte tijd een groot tekort aan geschikt personeel ontstaan, waarbij onherroepelijk de aanstellingseisen soepel gehanteerd zullen worden.

Als er nu niet echt iets gebeurt, hoe vervelend dat ook is, krijgen die mensen opnieuw een roestvrij stalen contract, ontbreekt later opnieuw de politieke en morele moed om die contracten open te breken, en begint het hele circus van voren af aan.

Voor een land dat de mond vol heeft van topinstituten is dat een troosteloos vooruitzicht, evenals voor de talenten die zich over vijftien jaar aan de personeelspoorten van de universiteiten komen melden.