Wandeling

Al meer dan een week is het prachtig weer in Valencia en iedere dag heeft het weerbericht regen en onweer voorspeld. Ze moeten er hier andere normen op na houden, waardoor ze als er in een grote provincie ook maar ergens een spatje regen dreigt te vallen, op de weerkaart driftig het hele gebied voltekenen met donkere wolken en dreigende bliksemschichten.

Spinnend in de zon loop ik op het Plaza del Ayuntamiento en ik zie een kiosk die veel buitenlandse kranten heeft, ook Nederlandse. Bollage en Walkestein schijnen ruzie te hebben, omdat de een de ander van selectief winkelen heeft beschuldigd, of vice-versa. Maar voor ik de fijne kneepjes van het bericht heb kunnen begrijpen, klinken op het plein opeens de tonen van het Wilhelmus. Het Wilhelmus, wat is dat nou? Zou ik zo uitgehongerd zijn naar Nederlands nieuws dat ik bij het kleinste hapje al overweldigd wordt door een delirium van Nederlandse zinsbegoochelingen? Nee. De klanken hebben een concrete oorsprong. Er wordt een sportwedstrijd gehouden op het plein, en niet zomaar een wedstrijd, het blijkt een wereldkampioenschap te zijn, het wereldkampioenschap pelota. In de finale speelt Nederland tegen Valencia.

Een wereldkampioenschap pelota doet me een beetje aan vroeger denken, toen ik zelf kampioenschappen van de melkweg organiseerde en zelfs van het hele universum. Maar ik ben gelukkig naast een paar deskundigen terecht gekomen en die zeggen dat dit een heel moeilijke vorm van pelota is, met een houten kogel, en dat de spelers grote sportslieden zijn. Toch is het moeilijk om geboeid te blijven door een spel waarvan je de regels niet kent, vooral als je de bal niet kunt zien door de hoofden voor je. Ik loop door, naar het Museum van de Kathedraal, dat vlakbij is. De Spaanse musea vindt ik een beetje griezelig. Een dag eerder had ik in een ander museum, het Museum van de Patriarch, een schilderij gezien dat griezeliger was dan alles wat ik kende. Een groot doek met slechts twee figuren, een soldaat die op het punt staat met een lans een burger dood te steken. Als op een bekende foto, uit Vietnam, waarop iemand een pistool tegen het hoofd gedrukt krijgt, en we weten dat hij vlak nadat de foto genomen was werd doodgeschoten. Maar dit is erger. De kunst blijkt indringender dan de werkelijkheid. Anders dan op die foto kijkt de burger hier zoals je zou denken dat iemand kijkt die opeens beseft dat hij straks dood zal zijn.

En een lans is iets anders dan een pistool. We zijn er aan gewend dat in films veel geschoten wordt. De slachtoffers verdwijnen als stripfiguren, ze worden min of meer 'geneutraliseerd', het eufemisme dat Amerikaanse geheime diensten gebruiken voor politieke tegenstanders die vermoord worden. Er wordt dan vast gedacht aan een schietwapen en niet aan een mes, want dat is een moord die zich niet zo makkelijk leent voor een eufemisme. Sympathieke helden als James Bond zal je niet gauw een tegenstander met een mes om zien brengen, dat is te echt.

Ik vond het doek een beetje obsceen, bleef er lang naar kijken en prevelde als een bezwering de dichtregel: “Want de schoonheid is niet anders dan het begin van het verschrikkelijke, dat we nog net verdragen kunnen.“

Maar goed, opgewekt verder naar het volgende museum, dat naar verwachting de traditionele Spaans-katholieke gruwelkamer bleek te zijn, met martelaars die bij de nek gekortwiekt waardig hun eigen afgehakte hoofd op een schotel dragen. De schatkamers van een rovershol, donker, de schilderijen vervuild en met gaten en scheuren, op één ervan lijkt de afdruk van een coladop te zien. Het zware ijzeren hek wordt dichtgeslagen achter ons kleine groepje, ik zie in de vloer een listig verborgen luik en mijn fantasie komt op gang. Op stille dagen worden argeloze kunstliefhebbers hier gevangen en als dwangarbeiders afgevoerd naar de kerkrestauraties die je overal in de stad ziet. Toeristen bereiden zich tegenwoordig zo slecht voor op hun reis, straks zal ik op weg naar huis een Nederlander tegenkomen die het slachtoffer is geworden van hem onbekende plaatselijke gewoontes. “Zeg in het vaderland dat het ons niet slecht gaat, gezien de omstandigheden“, weet hij mij snel toe te voegen. Hij probeert me nog een briefje toe te stoppen, waarschijnlijk het telefoonnummer van de ANWB-alarmcentrale, maar dan komt al de strenge voorman met de karwats en wij moeten afscheid nemen.

Op een terras lees ik de kranten die ik heb gekocht. De Spaanse El Pais heeft een groot artikel over Amsterdam. Altijd leuk om te zien wat buitenlanders over ons schrijven, al is het zelden doordat je er iets nieuws door leert. Denkt u dat het artikel over drugs, euthanasie en het homoseksuele huwelijk ging? Natuurlijk denkt u dat en natuurlijk hebt u gelijk. De foto's met Amsterdamse tafereeltjes brengen een duidelijke boodschap over: wegblijven daar! De tekst daarentegen is niet onvriendelijk en schildert Amsterdam zelfs af als het rijk van de rede. Geen enerverender geluid dan het gerinkel van een fietsbel, het beieren van verre kerkklokken of het gemurmel van de grachten verstoort de Amsterdamse rust. Het is het paradijs van de sociale gelijkheid: “ Een Madrileense aristocraat zou zonder de kwaliteit van zijn leven te verminderen zijn intrek kunnen nemen op een verdieping van de arbeiderswijk De Pijp, waar de emigranten uit de Afrikaanse landen wonen.“ Grappig om ons Emma Kinderziekenhuis terug te zien als het 'hospital Emma Kinder'. O, Emma Kinder, in uw naam is het volgens El Pais dat de kinderen worden geëuthanaseerd.

Terug naar het grote plein. De pelotawedstrijd loopt naar zijn eind. Valencia staat voor. Er komt ruzie, de spelers staan met hete koppen tegenover elkaar en de televisie stort zich in de kluwen. Instinctief kies ik de juiste partij en roep uit alle macht Hup Holland! Het helpt niet, Valencia wordt wereldkampioen, Nederland een dappere tweede. De volgende dag lees ik dat het met 50-45 kantje boord is geweest en onze linkshandige Erik Seerden, snel en stoutmoedig, was een nachtmerrie voor de thuisclub. !Viva Holanda!