Tuchtraad: geen voorkennis optiehandelaren bij 'Bols'

AMSTERDAM, 24 SEPT. De drie optiehandelaren die door Justitie worden verdacht van handel met voorkennis in aandelen BolsWessanen zijn in een eerder stadium door het interne tuchtcollege van de Optiebeurs niet schuldig bevonden aan deze vorm van beursfraude.

Dit is vanmorgen desgevraagd bevestigd door de Optiebeurs en door de advocaten van de drie optiehandelaren. Bij de handelaren, A.R. B. (34) uit Zandvoort, S.J. M. (36) uit Haarlem en S.A. M (33) uit Hoofddorp, heeft het Openbaar Ministerie begin deze maand huiszoeking verricht in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar handel met voorwetenschap BolsWessanen.

Justitie heeft inmiddels vijf mensen aangehouden, onder wie een directeur van BolsWessanen. Justitie verdenkt de vijf, èn de drie optiehandelaren, ervan in 1994 en 1995 met voorwetenschap in effecten BolsWessanen te hebben gehandeld. Het Openbaar Ministerie sluit nieuwe arrestaties niet uit. De advocaten van de drie optiehandelaren hebben de officier van justitie gevraagd hun cliënten niet in te sluiten omdat ze niets te verbergen zouden hebben.

De Optiebeurs heeft de drie omstreden handelaren bijna een jaar geleden voor het interne tuchtcollege gedaagd, het Business Conduct Committee. Naar nu blijkt heeft dit college rond de jaarwisseling 1995/1996 uitspraak gedaan. Voorzover bekend was dit de eerste uitspraak in een voorkenniszaak van het comité. Het Business Conduct Committee meent onvoldoende gronden te hebben om de geloofwaardigheid in twijfel te trekken van de drie inmiddels door Justitie verdachte optiehandelaren. Het tuchtcollege achtte zich niet in staat te beslissen dat de drie zich schuldig hadden gemaakt aan handel met misbruik van voorwetenschap.

“Omdat ze geen bewijzen voor het tegendeel heeft moet de commissie het er op houden dat de verklaringen van de handelaren juist zijn”, zegt de woordvoerder van de Optiebeurs. De woordvoerder citeert uit de uitspraken van het Business Conduct Committee: “De commissie (het tuchtcollege - red.) heeft geen onbegrensde mogelijkheden om deze zaak zelfstandig tot op de bodem te kunnen onderzoeken”. Zo kan het tuchtcollege niemand onder ede plaatsen.

Mr. D. Doorenbos van Wladimiroff & Spong, raadsman van de optiehandelaar A.R. B uit Zandvoort, noemt het “merkwaardig” dat de optiebeurs “gas lijkt terug te nemen onder invloed van de actie van Justitie”. “Het Committee is geen wassen neus, maar een serieus tuchtcollege, dat de zaak zeer zorgvuldig heeft getoetst. Ik sla de deskundigheid van het Committee op dit specifieke terrein hoger aan dan die van Justitie. Mocht het ooit tot een strafzaak komen tegen mijn cliënt, dan zal deze uitspraak zeker een belangrijk deel vormen van mijn verdediging.”

Het onderzoek van justitie spitst zich toe op 3 juli 1995, toen op de optiebeurs uitzonderlijk veel put-opties BolsWesannen werden verhandeld. Wie put-opties koopt, speculeert op een koersdaling van het onderliggende aandeel. De volgende dag daalde de koers van het aandeel inderdaad, na een neerwaartse bijstelling van de winstverwachting. De drie optiehandelaren behoren tot degenen die deze dag hebben gehandeld, naar eigen zeggen zonder misbruik van voorkennis.

Het tuchtcollege heeft de handelspraktijken van de drie handelaren over een langere periode onderzocht. Doorenbos zegt daarover: “Het committee heeft geoordeeld dat de handel van mijn cliënt op die bewuste dag past in het gebruikelijke patroon. Mijn cliënt heeft over zijn handel op die dag een aanvaardbare verklaring afgelegd, die deels technisch is en deels samenhangt met de marktomstandigheden.”

De advocaat van optiehandelaar S.J. M. uit Haarlem, Mr. C.J. van Bavel (van het kantoor Derks Star Busmann Hanotiau), benadrukt dat de uitspraak van het tuchtrechtcollege van de Optiebeurs er toe leidt dat er niet aan de betrouwbaarheid van zijn cliënt wordt getwijfeld. Van Bavel citeert uit de uitspraak van het tuchtcollege: “Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt eerder een wisselend speculatief beeld naar voren dan een beeld van doelgerichte door geheime kennis gevoede specifieke transacties.”

De advocaat van optiehandelaar S.M. uit Hoofddorp, mr. W. de Jong (Derks Star Busmann Hanotiau), zegt dat het tuchtcollege op basis van de beschikbare informatie geen aanleiding zag aan de betrouwbaarheid van zijn cliënt te twijfelen. Hij voegt er aan toe dat het tuchtcollege van de Optiebeurs deskundig is en wil verder geen commentaar geven.

De Optiebeurs heeft geen disciplinaire maatregelen tegen het drietal uitgevaardigd. De handelaren zijn nog steeds volwaardige leden van de beurs. Ze lopen nu echter, door het onderzoek van Justitie, wel het risico strafrechtelijk te worden vervolgd.

Ingewijden in het optiewezen vinden het niet verbazingwekkend dat Justitie de optiehandelaren op de korrel neemt terwijl klachten van de Optiebeurs tegen diezelfde handelaren door het tuchtcollege niet bewezen geacht konden worden. Justitie staan namelijk veel meer middelen ter beschikking om onderzoek te doen. Of, zoals voorzitter mr. C.J.B. Ebeling van de Business Conduct Committee zegt: “Justitie heeft een eigen verantwoordelijkheid, heeft aanzienlijk meer middelen om de zaak te onderzoeken. Ik zie mij nog geen huiszoekingen doen. Ik kan mensen alleen maar vriendelijk vragen of ze met voorkennis hebben gehandeld. Als ze dan zeggen dat ze dat niet hebben gedaan, houdt het op.” Ebeling, die niet op de zaak BolsWessanen wil ingaan, zegt vorig jaar zo'n 22 tuchtrechtelijke zaken behandeld te hebben.