Jessye Norman in Amsterdam spinnend van puur zingplezier

Concert: Jessye Norman (sopraan) m.m.v. Mark Markham (piano) en Marieke Schneemann (fluit). Gehoord: 23/8 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 27/9.

Zó groots en exuberant is de uitstraling van zangeres Jessye Norman dat de superlatieven elkaar èn de realiteit overtreffen. In de biografie die wordt verspreid bij de twee recitals die Norman deze week geeft in het Amsterdamse Concertgebouw, wordt vermeld dat ze de afgelopen zomer met haar vertolking van Faster, Higher, Stronger bij de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Atlanta live en via tv “zo'n 3.4 biljoen mensen” trok. Hoeveel is 3.4 biljoen? Dat is ongeveer 1000 keer de wereldbevolking!

Ook in Amsterdam is de belangstelling voor Norman enorm: het recital van gisteravond was snel uitverkocht. Maar gelukkig vindt Norman het in Amsterdam zó leuk dat ze besloot daarna nóg een keer op te treden - uniek voor deze zangeres wier laatste Amsterdamse optreden in 1994 plaatsvond en wier afzeggingen in Amsterdam bij het Concertgebouworkest (in 1991 bij een Gala en in 1995 bij een concert van Boulez) nog in het geheugen liggen.

Gisteren had Norman - afgevallen en gehuld in een prachtig nachtblauw zijden gewaad - er zichtbaar zin in. Met de vele voor het orgel bijgeplaatste stoelen leek de Grote Zaal van het Concertgebouw een mini-Arena om haar heen. De sfeer was ontspannen en intiem en Norman stak in voortreffelijke vorm, zodat alles volstrekt moeiteloos klonk, voor ons èn haar eigen plezier, soms na een effectvol slot begeleid met een knipoog naar het publiek in de sfeer van : 'Ja, dat doe ik wel leuk, dat gaat mij goed af.' Vóór de pauze werd op gevoelige momenten nog akelig gehoest, later bezwoer ze de zaal met haar intense optreden tot totale stilte.

Het programma was prachtig opgebouwd: liederen van Brahms en Wolf, na de pauze Ravel en John Carter: zettingen van gospels en spirituals, waaronder Sometimes I feel like a motherless child, die zorgden voor het bij Norman altijd aanwezige religieuze moment, waarmee ze in den vreemde weer back home is. Ook de onderdelen zelf waren perfect georganiseerd en geproportioneerd. Zo klonk na de twee eerste Brahmsliederen O komme, holde Sommernacht en Ständchen, die al meteen de hoogte, breedte, diepte en kleurvariëiteit van haar stem imposant etaleerden, kwam ze tot een vervoerend langzame, bijna Mahleriaanse interpretatie van Feldeinsamkeit, eindeloos zwevend wegdrijvend: 'Mir ist, als ob ich längst gestorben bin, und ziehe selig mit durch ew'ge Räume.'

Niet alleen het stemgebruik van Norman is uitermate beeldend (zo'n zuchtje bij een frase als 'und lispelt'), ook haar gebaar, haar pose en haar mimiek - van gekweld serieus tot extatisch stralend - dragen bij aan de overweldigende indruk die haar optreden maakt. Ook in een aantal Mörike-liederen van Wolf bewees Norman zich als superieur en virtuoos, boven de materie staand, zelf de norm stellend en onweerstaanbaar overtuigend: zoals zij zingt, zó moet het.

In Ravels Shéhérazade kwam Norman tot een fascinerende afwisseling van lichte exotisch-betoverende en zwaar dramatische passages. In La flute enchantée en L'indifférent (gezongen met ingehouden wellustigheid) mengde haar helder naar omfloerst verschuivende timbre prachtig met de fluitbegeleiding van Marieke Schneemann. Vier toegiften waren er: Wir beiden wollen springen en Zueignung van Strauss, Ich habe in Penna ein liebster wohnen van Wolf en Les chemins de l'amour van Poulenc, onvergetelijk gezongen met die verheven languissante krolsheid.