Jazz-gitarist John Scofield maakt akoestische cd; 'Ik ben op weg naar de kern van mijn muziek'

Op zijn nieuwe plaat Quiet speelt jazz-gitarist John Scofield akoestisch. “Veel mensen vinden mij van alle jazz-gitaristen de meest elektrische”, zegt hij. “Maar akoestische gitaar dwingt me melodischer te spelen.” Cd John Scofield: Quiet (Verve 533 185 2)

Zelden was een titel toepasselijker dan die van de nieuwste cd van gitarist John Scofield: Quiet. Wat hij onder stil verstaat is echter allesbehalve slaapverwekkend, veeleer delicaat en ingetogen. In de geest van de in 1988 overleden arrangeur Gil Evans heeft Scofield geraffineerde stukken geschreven voor een achtkoppig pianoloos blazersensemble. Saxofonist Wayne Shorter treedt op als gastsolist.

“Ik heb het gevoel langzaam maar zeker tot de kern van mijn muziek te komen”, zegt Scofield (44), voor het eerst in zijn loopbaan op promotietoernee voor zijn nieuwe label Verve, en daardoor enigszins nerveus. “Elke cd die ik nu nog maak moet een stilistisch statement bevatten.”

Vergeleken met zijn talrijke albums voor Grammavision en Blue Note waarop hij post-bop mengde met funk, is Quiet een ambitieus project. Nog opmerkelijker voor gitaarliefhebbers is Scofields keuze voor akoestische gitaar. “Veel mensen vinden mij van alle jazz-gitaristen de meest elektrische”, zegt Scofield. “Maar eigenlijk heb ik mijn hele leven akoestisch gespeeld, namelijk door in de bus, in de kleedruimte of thuis op de bank te tokkelen op mijn Ibanez - zonder versterker. Hierdoor leer je hoe de snaren zelf geluid voortbrengen, hoewel ze natuurlijk nog steeds van metaal en niet van nylon zijn.”

Scofield herinnert zich een opnamesessie met Miles Davis, waarbij de trompettist hem verzocht akoestisch te spelen. “Hij gaf me een gitaar in handen, ik had er zelf niet eens een. Miles vond dat het goed klonk, maar die opnames hebben nooit het licht gezien. Vanaf dat moment wist ik wel dat ik ooit een akoestische plaat wilde maken.”

Volgens Scofield is het toeval dat Bill Frisell, een collega 'guitar-wizzard', ook al dikwijls geen snoeren en stekkers meer gebruikt. “Ik denk dat de elektrische gadgets ons allebei ongeveer tegelijkertijd de keel uit begonnen te hangen,” zegt Scofield, om daar onmiddellijk aan toe te voegen: “Voor één minuut dan.” Een avond lang akoestisch spelen is voor Scofield teveel van het goede. “Ik zou de power missen. Op elektrische gitaar kan ik sneller spelen, tonen vasthouden en uitrekken. Akoestische gitaar dwingt me om melodischer te spelen, om elke noot te articuleren. Anders hoor je niets.”

Scofield groeide op in Wilton, een klein stadje in Connecticut. Hij omschrijft zichzelf als 'een typisch geval van een wit jochie verliefd op zwarte muziek'. Aanvankelijk was dat de blues van BB King en Muddy Waters, maar al gauw haakte hij aan bij de opkomst van de funk door James Brown te imiteren in een schoolband ('We fucked him up, no doubt'). Scofield werd aangenomen op de prestigieuze Berklee School of Music in Boston. Inmiddels had hij John Coltrane ontdekt, maar die had geen gitaristen in dienst gehad. Even overwoog Scofield bassist te worden. “Totdat ik er achter kwam dat de bebop niet door een blazer, maar door een gitarist, namelijk Charlie Christian, was uitgevonden. Pas nadat de saxofonisten, trompettisten en trombonisten hadden laten horen wat er allemaal mogelijk was op sologebied, kwam er weer ruimte voor de gitaar in de jazz. Daar ben ik dankbaar ingesprongen.”

In de jaren tachtig maakte Scofield deel uit van de band van Miles Davis. Davis zat midden in zijn elektrische 'sophisticated disco'-periode, die werd gekenmerkt door een stevige bas-drum-groove, zoals te horen op bijvoorbeeld You're under arrest (1985). “Miles heeft me enorm beïnvloed. Daarna ben ik voor mezelf jazz-funk-achtige platen gaan maken. De in die jaren populaire fusion zag ik niet zo zitten. Voordien had ik wel bij fusionmuzikanten als Billy Cobham en George Duke gespeeld, maar die maakten tenminste een ongekunstelde, dansbare vorm van fusion. De richting die John McLaughlin opging met zijn Mahavishnu Orchestra, was niet voor mij weggelegd.”

Gek genoeg zijn op Scofields platen zelden de typische slaggitaar-riffjes te horen die je zou verwachten van een funkgitarist. Scofield richtte zich daarentegen op een vorm van bebop over traag voortrollende funkritmes. Zijn meanderende soleerstijl bereikte een hoge graad van perfectie op een plaat als Still Warm (1988).

Arrangeren voor een groter ensemble heeft Scofield tot Quiet nooit hoeven doen, maar de behoefte aan complexere, meerlagige harmonie was er wel. “Bij elk stuk dat ik speelde of schreef had ik het idee dat er meer in zat, meer lijnen die je niet hoort. Met een kwartet of kwintet doe je vaak niets anders dan het thema neerzetten en je uitleven in solo's. Op Quiet heb ik, met de luxe van een grotere bezetting, die ongehoorde lijnen naar voren proberen te halen.”

In plaats van een spetterende bigband-sound à la Count Basie, streefde Scofield tijdens het componeren naar het geluid van Gil Evans, de arrangeur die lange tijd zijn bovenbuur was in New York. Evans had begin jaren zestig geëxperimenteerd met moderne, niet op de blues gebaseerde harmonieën in een karakteristieke orkestratie: zachte fluit- en hoornpartijen, ondersteund door basklarinet en tuba. Scofield: “Die combinatie heeft iets mellows. Mijn stukken gaan niet naar een climax toe, zoals in de jazz gebruikelijk. Het gaat me om het vasthouden van een stemming.”