Het dubbelleven van een dirigent

Boven, op de publieke tribune van de Haagse rechtbank, zit men met strakke gezichten te luisteren. Soms klinkt een gesmoorde snik, of slaat iemand de handen voor de ogen. Er zijn opvallend veel oudere jongens onder het publiek. Voor hen moet de zitting des te wranger zijn omdat zij de verdachte goed kennen. Hun relatie met hem was zelfs zó intiem dat hij daarvoor nu terecht moet staan.

De 69-jarige Gerard Wanderveen was sinds jaar en dag dirigent van een zangkoor van de Vergadering van Gelovigen, een religieuze gemeenschap op bijbelse grondslag met vertakkingen tot in het buitenland. Wanderveen was een prominent lid van die gemeenschap, omdat hij tevens een van de oudste voorgangers was. Een strenge voorganger. Eénmaal per maand sprak hij ergens in Nederland vanaf de kansel de gelovigen toe.

Een poosje geleden kreeg Wanderveen onverwacht bezoek van een ouderpaar uit de geloofsgemeenschap. Ze hadden hun zoon meegenomen. Hij had tegenover zijn ouders onthuld dat hij jarenlang seksuele omgang met Wanderveen had gehad. Klopte dat? Ja, dat klopte. Daarop werd in de boezem van de geloofsgemeenschap besloten aangifte te doen.

Toen Wanderveen eenmaal aan de praat was met de politie, kwamen de onthullingen in hoog tempo los. Hij wilde schoon schip maken, daar had hij zo langzamerhand ook wel de leeftijd voor. Zo vertelde hij dat hij de afgelopen veertig jaar met zo'n vijfentwintig tot dertig jongeren uit de geloofsgemeenschap seksueel contact had gehad. Zijn belangstelling ging vooral uit naar jongens tussen de negen en zestien jaar. Als ze koorlid waren, konden ze bij hem logeren en nam hij ze mee in de auto naar concerten. Rond het zestiende jaar liepen de contacten met de jongens meestal af.

De oudere delicten zijn uiteraard allang verjaard. Wanderveen staat vandaag terecht voor het plegen van ontucht in de jaren negentig met zeven jongens in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar. Gedwee zit hij voor zijn rechters: een kleine, broze man met grijs haar. Nooit eerder was hij in aanraking gekomen met justitie, wat op zichzelf al een klein wonder is.

Hoe is het mogelijk dat zijn seksuele gedrag zo lang geheim bleef? Wás het eigenlijk wel zo geheim? Die vragen blijven onopgelost boven dit proces hangen. Er was al eerder een incident rond hem geweest, maar dat moet toen intern met de mantel der liefde zijn bedekt. De rechtbank vindt daarom dat ook de ouders veel te verwijten valt.

De jongens beschuldigen hun vroegere dirigent van allerlei seksuele handelingen, inclusief anale verkrachting. Dat laatste ontkent hij furieus, op één geval na.

“De jongen Klaas beweert dat hij door u aan de drank, aan het roken en aan het stelen is geraakt”, zegt de voorzittende rechter, mr. L. Verheij. “Die drank was een tegenprestatie, u zou er volop drank bij de jongens in hebben gegoten.”

“Daar denk ik anders over. Ze dronken alleen cola bij mij. En dat ik Klaas anaal benaderd zou hebben, is absoluut niet waar.”

“Waarom zegt hij het dan?”

“Ik begrijp het niet. Hij weet heel goed dat het mij niet om de erectie en de bevrediging ging.”

“U heeft die handelingen toch niet veertig jaar lang alleen maar gepleegd terwille van die jongens?”

“Ze weten dat ik geen orgasme kon krijgen.”

“Zij zeggen wat anders.”

“Eenmaal hebben ze me tot een erectie proberen te bewegen, en dat is niet gelukt.” Wanderveen doelt hier op het ene geval van anale verkrachting dat volgens hem uitgelokt en mislukt zou zijn.

“U deed het toch niet allemaal voor hen?” vraagt de rechter weer.

“Ik vond het heel aangenaam voor ze.”

“Maar u viel toch op hen? En dan praten we over generaties.”

“Er zijn er die nu zelf vader zijn”, bevestigt Wanderveen, en het klinkt alsof hij wil zeggen: mijn jongens hebben het toch nog ver gebracht. “Zij weten allemaal dat het niet om mijn bevrediging ging. Maar ik zie dat dit moeilijk te begrijpen is voor u.”

“Inderdaad. Zeg eens waarom u het dan wél deed.”

“Dat zult u belachelijk vinden.”

“Ik geef nu geen commentaar, dat komt later in de raadkamer.”

Wanderveen slikt moeilijk. “Ik deed het omdat zij het prettig vonden.”

De rechter kijkt hem sceptisch aan. “Een soort liefdadigheidsactie van u, cru gezegd?”

“Nogal cru, ja.”

“Die jongens sliepen bij u. Dat was wel de kat op het spek binden.”

“Het was verschrikkelijk stom.”

“Stom omdat u nu tegen de lamp bent gelopen?”

Wanderveen raakt voor het eerst overmand door emoties. “De ouders, de families, de geloofsgemeenschap hadden veel vertrouwen in mij”, snikt hij. “Het is een bron van zoveel ellende en verdriet geworden. Ik heb alles kapot gemaakt. Ik had duizenden kennissen over de hele wereld. Allemaal weg.”

De geloofsgemeenschap is aan een harde vergeldingsactie begonnen - een soort morele inhaalmanoeuvre. Wanderveen is volledig uitgestoten, niemand bekommert zich meer om hem. Men stapte zelf naar de televisie om de zaak onder de aandacht te brengen. Ook in Den Haag is een woordvoerder aanwezig, die de daden van de gewezen voorganger bijna gretig toelicht.

De advocaat, mr. M. Hattinga Verschure, vraagt zich dan ook af of de jongens zijn aangezet tot de nodige overdrijving - het drankgebruik, de anale verkrachtingen - in hun aanklachten. Hij wijst erop dat de jongens nooit onder dreiging of dwang van zijn cliënt hebben gehandeld. “Ze bleven komen, ook al was er in ruimere kring al wel iets bekend.” Hij beweert dat dergelijk seksueel misbruik niet per definitie schadelijk is. “Er is nu boosheid, schaamte, maar dat is nog geen schade. Die moet nog blijken.”

De officier van jusititie, mevrouw mr. J. Mooijen, is het daarmee niet eens. Zij citeert een van de jongens: “Als ik intiem met een meisje omga, verschijnt oom Gerard in mijn gedachten.” Zij eist vier jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. “Hij was een suikeroom voor ze. Hij kocht hun seksuele medewerking met drank.”

Resteert de verbijstering over het dubbelleven dat Wanderveen veertig jaar lang heeft geleid. Zaterdags leefde hij zich uit in losbandige logeerpartijtjes, zondags wees hij de gelovigen op de gevaarlijke zonden van het vlees.

“U had daar dus weinig problemen mee?” vraagt de rechter.

“Ja.”

“U had ook geen geweldige spijt dat u eraan had toegegeven?”

“Nee.”

(Het vonnis, twee weken later: drie jaar gevangenisstraf waarvan een jaar voorwaardelijk.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gewijzigd.