Eeuwen van verveling?

Had Francis Fukuyama toch gelijk? Zeven jaar geleden - het jaar waarin het communisme de handdoek in de ring gooide - voorspelde hij dat, nu het liberalisme (een begrip waaraan hij, als goed Amerikaan, een veel wijdere betekenis gaf dan doorgaans in Europa gedaan wordt) gewonnen had en er dus een eind aan de geschiedenis als politiek-ideologisch discours was gekomen, ons 'eeuwen van verveling' te wachten stonden.

Daar is toen alom hartelijk om gelachen, maar wat was er vorige week in alle kranten te lezen? Dat de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer dit jaar zo buitengewoon vervelend waren. Er waren, afgezien van een kleine botsing tussen de liberaal Bolkestein en de sociaal-democraat Wallage, nauwelijks tegenstellingen. Ook de christen-democratische oppositie kon zich niet fundamenteel tegen het beleid van het paarse kabinet uitspreken.

Voor iemand die van discussie houdt, sterker: die meent dat discussie is waar de democratie om draait, een op z'n minst vervelend vooruitzicht. Maar ja, wat kunnen we anders verwachten, wanneer de ideologische kantjes zo zijn afgeslepen dat sociaal-democraten en liberalen zich gelukkig voelen in één kabinet en de christen-democraten eigenlijk geen weerwoord hebben? Er is zelfs een minister die vindt dat de tijd rijp is voor één grote paarse partij.

Maar opgepast: van verveling gaan mensen op den duur gekke dingen doen. Het klassieke voorbeeld dateert van 1968. In het voorjaar van dat jaar schreef een bekende Franse journalist in Le Monde een lang artikel, getiteld La France s'ennuie (Frankrijk verveelt zich), en een paar weken later barstte de studentenrevolutie uit, die zelfs op een goed ogenblik het staatshoofd, generaal De Gaulle, deed besluiten het land te verlaten.

Het was weliswaar een gekke revolutie, in zover als zij niet uit wanhoop, maar uit luxe en verveling geboren was en geen risico's voor de revolutionairen inhield, en de reactie is er spoedig op gevolgd - in de daarop volgende verkiezingen kreeg De Gaulle een grote meerderheid -, maar zij heeft niettemin veel losgewoeld - niet alleen in Frankrijk. In Nederland heeft het bijna dertig jaar geduurd voordat de grootste gekkigheden teruggedraaid waren.

Dus de verveling van vandaag kan ook heel wel onvoorspelbare gebeurtenissen baren. Fukuyama hield daar ook rekening mee, want de laatste zin van zijn geruchtmakend artikel luidde: “Misschien zal juist dit vooruitzicht van eeuwen van verveling ertoe dienen de geschiedenis weer aan de gang te krijgen.” Maar of het vooruitzicht daartoe voldoende is?

Toch schijnen we op onze wenken bediend te worden. Zaterdag stond er op deze pagina een lang artikel van Milo Anstadt, die opriep tot een nieuwe klassenstrijd. Weliswaar was het niet de verveling die hem tot dit middel deed grijpen, maar de steeds wijder wordende kloof die hij signaleerde tussen een neo-liberale - volgens hem zelfs nihilistische - bovenlaag en een achtergebleven onderlaag.

“Het valt niet te verwachten”, zo schrijft hij, “dat regering, parlement of partijen een ombuiging tot stand zullen brengen. Gerechtigheid is het eigenbelang van de onderklasse, en die zal zelf meer gerechtigheid moeten veroveren. Met de trieste perspectieven van een diepe cultuurcrisis voor ogen, hebben groepen die zich vooralsnog sociaal wat beter kunnen redden, alle reden om zich met deze onderklasse te solidariseren en aan haar zijde aan de strijd deel te nemen.”

Interessant - maar de vraag is: zal het lukken? Zelfs de onderklasse heeft nog iets te verliezen, meer in elk geval dan de onderklasse tijdens de crisis van de jaren '30, en die kwam zelfs toen niet in opstand. Karl Marx verwachtte dan ook voor zijn klassenstrijd niets van wat hij het 'lompenproletariaat' noemde.

Van de politiek verwacht Anstadt niets. Dan eerder van de vakbeweging. “Zij zou zich op de nieuwe klassenstrijd moeten bezinnen en nagaan of zij nog voldoende vitaliteit bezit om het voortouw te nemen.” Erg optimistisch klinkt dit niet, en daar is ook alle reden voor op een ogenblik dat de vakbeweging juist zich heeft ontdaan van alle ideologische ballast die zij de laatste dertig jaar had verworven.

Trouwens, ook hier is het voorbeeld van de jaren '30 weinig bemoedigend. In die jaren leefden de werklozen - en dat waren er toen honderdduizenden, met een hongervergoeding - in een bijna volstrekt isolement van de rest der samenleving, ook ten opzichte van de arbeidersbeweging. De vakbonden weigerden in beginsel werklozen als lid. Al in 1932 constateerde Jan Oudegeest, voorzitter van de SDAP, dat “de room van de arbeidersklasse” bezig was het contact te verliezen met “de vijfde stand” (zo noemde hij de werklozen). (Ik ontleen deze gegevens aan een 'paper' van de latere hoogleraar P. de Rooy voor een congres in 1977).

Zou een klassenstrijd nu meer kansen maken? Spreekt hier niet de ontgoochelde socialist? Een kleine twintig jaar geleden kon Anstadt, in zijn boekje Met de rede der wanhoop, nog schrijven dat voor hem de waarde van het socialisme niet lag “in wat het doet, maar in hetgeen ervan verwacht wordt; niet in het bereikte, maar in wat het voor de boeg heeft. [...] Wie er een gevoel van warmte aan ontleent, heeft deel aan de genade van het geloof.” Maar dat was in de tijd dat Den Uyl het percentage van zijn partij bracht van 27,3 in 1972 op 33,8 in 1977.

Maar nu? Nu is dit percentage geslonken tot 24. En nu heeft de PvdA een leider die het “afschudden van ideologische veren” een “bevrijdende ervaring” noemt en de partij-ideoloog Kalma nazegt: “Een werkelijke vernieuwing van de PvdA begint met een definitief afscheid van de socialistische ideologie.” Het is begrijpelijk - maar niet erg realistisch - dat een oude socialist dan teruggrijpt naar het strijdmiddel van de nog oudere Karl Marx.

Maar al behoort het recept van de klassenstrijd tot een wereld die onherroepelijk voorbij is (en ook daar heeft het niet gewerkt), er is iets anders aan de hand dat onvermijdelijk een reactie zal oproepen. Als het niet verveling is, dan is het de globalisering van de economie, die de macht van de nationale staten en de nationale democratieën steeds verder ondermijnt en, meer in het bijzonder, de in een hoogconjunctuur ontstane Westeuropese verzorgingsstaat, waaraan miljoenen gewend zijn geraakt, onbetaalbaar maakt. Omdat de produktie steeds minder mankracht behoeft of steeds meer verschuift naar goedkoper producerende landen, wordt hier werkloosheid een permanent verschijnsel.

Dáártegen zal in de democratische landen onvermijdelijk een reactie komen, maar die zal dan, even onvermijdelijk - omdat zij zich tegen de gevolgen van de internationale markt richt -, protectionistische en nationalistische, misschien zelfs ondemocratische trekken vertonen. Het is heel wel mogelijk dat die reactie zichzelf socialistisch zal noemen, maar dan is het niet langer een internationalistisch socialisme. Het ware internationalisme is het kapitalisme gebleken te zijn. Leuk is zo'n wereld niet, maar ons erin vervelen zullen we ook niet.