De wereld van het niet-willen-weten

BETONDORP. “Het beleid waarvoor velen offers hebben gebracht werpt nu zijn vruchten af,” zei de koningin, en ik moest denken aan een oude kennis van me, Henk van Hunnik uit de Oogststraat. Henk was een man van rond de dertig en een zeldzaam moedig mens. Als jongetje was hij door een hersenbloeding getroffen en sindsdien was hij incontinent.

Hij was actief in de kerk en in de buurt, hij leefde van een kleine uitkering en zijn hele bestaan bestond de laatste jaren uit jongleren met guldens en kwartjes. Zijn incontinentiematerialen kostten scheppen geld, subsidies verdwenen, eigen bijdrages stapelden zich op, tientje na tientje, onheil op onheil. “Ik leef tegenwoordig op m'n tenen”, zei hij toen ik hem de laatste keer sprak. Hij at twintig dagen per maand normaal en tien dagen alleen brood. Zijn telefoon werd betaald door het wijkcentrum. “Ik hoop dat ik die nog kan houden.” Maar Henk was geen zeur.

In ieder mens leeft de onuitroeibare neiging om zich aan vaste levenspatronen vast te klampen, zelfs tegen beter weten in. De krantenleggers uit de jaren dertig zijn wat dat betreft uitermate leerzaam. Toen er onheil dreigde uit het oosten was de eerste neiging om te kijken en te leren, en de tweede neiging om terug te deinzen en zich van het gevaar af te wenden. Hoe minder men wist, hoe beter - vooral toen bleek dat het weten grote consequenties kon hebben voor de orde van het dagelijkse bestaan. Zo ontstond een vreemde paradox: terwijl het probleem in werkelijkheid almaar groter werd, werd het ook steeds meer ingekaderd in de orde van de dag en het gevaar - hoe evident ook - werd gesust door de regelmaat van het gewone bestaan. Want wat moet een krantenlezer met het alternatief, het doorgaande bombardement met slecht nieuws? Hij slaapt niet meer lekker, hij wil maken dat hij wegkomt, het gooit zijn hele leven overhoop. Wie rust prefereert zorgt dat hij niet teveel weet.

Ieder kind weet tegenwoordig dat het probleem van dit dichtbevolkte land niet de file is, of het gebrek aan goede wegen, maar de immense hoeveelheid auto's die we er op na willen houden omdat we onszelf te deftig vinden voor de trein. Ieder kind heeft te maken met de prijs die we nu en vooral later voor dit kleine gemak betalen: verpeste steden en landschappen, verspilling van energie en - ondanks alle goede voornemens - een nog altijd stijgende uitstoot van het broeikasgas C0.

Ieder kind ziet schlemielen uit vreemde landen over straat slieren, onwennig, vaak met geen cent op zak, het produkt van de wanverhouding tussen rijke en arme landen en van een vreemdelingenbeleid dat geen zelfbewuste immigranten schept, maar dolgedraaide asielzoekers of zwaar uitgebuite illegalen.

Ieder kind wordt ook geconfronteerd met de anonimiteit van de immense scholen die de afgelopen jaren dankzij een straf bezuinigingsregime overal zijn gevormd, en met de onveiligheid die daar weer uit voortvloeit. En de kinderen uit de negenhonderdduizend Nederlandse huishoudens die volgens de laatste cijfers in armoede leven merken bovendien dat hun ouders zich wel vier keer bedenken voordat ze hen naar een vervolgopleiding sturen: de schoolgelden zijn voor hen te hoog geworden.

Dat zijn allemaal dingen die wij, aan de goede kant van de tweedeling, liever niet willen weten - en de minister van Milieu werd dan ook terecht boos op de brave directeur van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu die het slechte nieuws over de CO2-uitstoot vlak voor Prinsjesdag naar buiten bracht. Het zijn wetenswaardigheden die de rust verstoren.

Er bestaat een meesterwerk over verdringing van feiten, en het niet-willen-weten van beleidsmakers. Dat is de onlangs verschenen biografie van Alfred Speer van de Engels-Hongaarse publiciste Gitta Sereny. Bij Speer waren de verdrongen zaken van een geheel andere orde dan de kwesties waar we tegenwoordig mee te maken hebben - bij hem ging het om moord in miljoenvoud - maar desalniettemin is het mechanisme van Speers beleidsblindheid ook in zijn algemeenheid de moeite van het bestuderen waard.

Het opvallende van Speer was dat hij, als rechterhand van Hitler, zijn medeschuld erkende, en die verantwoordelijkheid hield hem tot het laatst van zijn leven bezig. Maar hij bleef, ook tegenover zijn biografe, ontkennen dat hij afwist van het lot van de joden. Achter Speers formele schuldbekentenis ging zo een nachtmerrie aan verzwegen kennis schuil, kennis waarover hij absoluut beschikt moet hebben, maar die hij na de oorlog weigerde toe te laten. Het accepteren van het weten zou immers niets van zijn zelfbeeld hebben overgelaten. Het niet-weten was, met andere woorden, een daad van zelfbehoud.

Hoe hield deze topbestuurder tijdens de oorlog zijn niet-weten in stand? In de eerste plaats door zijn positie, waar hij buiten de 'vuile' kant van het beleid gehouden werd en tegelijk werd afgeschermd van de verhalen en geruchten van de straat. En in de tweede plaats door - soms bewust - feiten en conclusies te ontwijken die zijn denken, zijn beleid en zijn leven teveel overhoop zouden halen, al waren ze nog zo onontkoombaar. Hij was een van de velen die, zoals een commentator op de Duitse tv-zender ZDF het onlangs onnavolgbaar uitdrukte, op een gegeven moment “genoeg wist om zeker te weten dat hij niet meer wilde weten”.

De aanknopingspunten van Speers geschiedenis met het heden zijn in veel opzichten gering, maar waar ze de huidige tijd wel raken zijn ze uiterst belangwekkend. En het belangrijkste raakpunt is wellicht die wereld van niet-willen-weten waarin iedere topfunctionaris bijna onvermijdelijk terecht komt als hij zich niet permanent teweerstelt.

Natuurlijk is er op dit moment in Nederland reden tot vreugde, nu het afknijpen voorbij is en er weer beleid gemaakt kan worden. Maar ik weet zeker dat geen gemeentebestuurder het in zijn hoofd gehaald zou hebben om zich over te geven aan de politieke hospartij waarop Den Haag het volk tracteerde. Wie in een wat minder hoge bestuurslaag verkeert weet te goed wat de prijs is van onze monetaire braafheid, hoe de tweedeling toeneemt, hoe de buurten verharden en wie de 'offers' brachten voor dit beleid.

Gisteravond probeerde ik Henk te bellen. Ik wilde horen hoe het met hem ging. Maar hij was afgesloten, hij bestond niet meer, en van zijn werkelijkheid hoeven we niets meer te weten.