Clinton is op defensie electoraal niet kwetsbaar

Het militaire profiel van de Amerikaanse president Bill Clinton is in de loop van zijn presidentschap steeds scherper geworden, constateert C. Homan. Daardoor hebben de Republikeinen niet zo veel vat op hem in de verkiezingscampagne.

President Clinton blijkt met de bombardementen op Irak wel degelijk in staat te zijn tot 'marrying diplomacy with force'. Anders gezegd: de Amerikaanse president heeft zich in de afgelopen vier jaar ontwikkeld van voormalig dienstweigeraar tot 'coercive' diplomaat.

Vooral door zijn gebrek aan ervaring met internationale machtspolitiek voerde hij aanvankelijk een onzeker veiligheidsbeleid. Bovendien liet de relatie tussen de president en het militair apparaat in het begin te wensen over. Vooral zijn Vietnam-verleden speelde hem parten. Dit leverde voor Clinton soms pijnlijke momenten op. Zo werd hij bij een bezoek aan het vliegkampschip USS Roosevelt door de bemanningsleden en piloten bespot en jouwden veteranen hem uit toen hij op een plechtigheid bij het Vietnam-monument verscheen.

De eerste botsing tussen Clinton en de militaire top betrof zijn verkiezingsbelofte om het verbod op het dienen van homoseksuelen in de krijgsmacht af te schaffen. Het compromis dat hij uiteindelijk moest sluiten ('Don't Ask, Don't Tell') hield in dat homoseksuelen alleen in de krijgsmacht mogen dienen wanneer ze niet voor hun seksuele geaardheid uitkomen en deze niet in praktijk brengen.

Toch groeide het respect voor Clinton onder de militairen na verloop van tijd. Dit onder meer wegens zijn bezoek aan de gedemilitariseerde zone in Korea en de luchtaanvallen die hij tegen Irak liet uitvoeren als vergelding voor een vermeende samenzwering tegen voormalig president Bush. Toenmalig voorzitter van de verenigde chefs van staven, generaal Colin Powell, was een - volgens sommigen té - invloedrijke leermeester voor Clinton ten aanzien van het gebruik van militaire macht als instrument van buitenlands beleid.

Hoeksteen van het defensiebeleid onder Clinton vormt de 'Bottom-up Review' (BUR). Als uitgangspunt voor de defensieplanning gaat deze beleidsnota van twee scenario's uit, namelijk een aanval van een herbewapend Irak op Koeweit en Saoedi-Arabië, en een offensief van Noord-Korea tegen Zuid-Korea. De in de BUR aangekondigde 'win-win-strategie' houdt in dat de Verenigde Staten beide conflicten 'vrijwel gelijktijdig' met succes moeten kunnen voeren. Na uitvoering van de BUR zal de Amerikaanse krijgsmacht in het fiscale jaar 1999 over 1,4 miljoen man beschikken. De landmacht zal uit tien parate divisies bestaan, het korps mariniers zal vijf parate brigades omvatten, de marine zal twaalf vliegdekschepen en 346 andere schepen tellen en de luchtmacht zal over dertien parate 'fighter wings' beschikken.

De uitvoering van de BUR verloopt echter niet zonder problemen. Zo rees al spoedig de vraag of de financiële onderbouwing wel voldoende was om het hele scala aan militaire vereisten te realiseren. De luchtoperaties in Bosnië en de no-fly-zone in Noord-Irak legden bijvoorbeeld een verrassend hoog beslag op de exploitatiekosten. Het 'General Accounting Office' schatte in juli 1994 het gat tussen de plannen van de regering en de gelden die nodig waren om de strijdkrachten gedurende de eerstvolgende vijf jaar te ondersteunen op 150 miljard dollar. Dit op een totaal bedrag van 1.295 miljard dollar. Als tegemoetkoming aan de kritiek verhoogde de regering-Clinton in het najaar 1994 het zesjarig defensieplan met 25 miljard dollar.

Ook de 'win-win-strategy' vormt onderwerp van aanhoudende discussie. Critici constateren dat de Verenigde Staten historisch gezien nog nooit in de situatie hebben verkeerd twee grote regionale conflicten tegelijkertijd te moeten voeren. Zij wijzen hierbij op de drie grote regionale conflicten die de Verenigde Staten sinds de Tweede Wereldoorlog voerden, te weten Korea (1950-1953), Vietnam (1965-1973) en de Golfoorlog (1990-1991).

Wat VN-vredesoperaties betreft behoren de vroegere ambities van Clinton tot het verleden. Tijdens de verkiezingscampagne in 1992 kondigde hij aan dat hij zijn buitenlands beleid in belangrijke mate zou afstemmen op de Verenigde Naties. In de 'nieuwe wereldorde' zouden de VN het medium bij uitstek zijn om internationale veiligheidsproblemen op te lossen. Hiertoe zouden, volgens Clinton, de VN onder meer over een permanente strijdmacht moeten beschikken.

De interventie in Somalië betekende echter het failliet van deze nieuwe wereldorde. Bij een klopjacht in Mogadishu op de voortvluchtige Somalische 'warlord' generaal Aideed, op 3 oktober 1993, ontstond een vuurgevecht waarbij de Amerikanen 18 doden en 78 gewonden telden. De vernederende beelden van het stoffelijk overschot van een Amerikaanse militair dat door de straten werd gesleept, veroorzaakten in de Verenigde Staten grote verontwaardiging en leidden tot de Amerikaanse aftocht.

Gelouterd door de ervaringen met VN-operaties nam Clinton in een toespraak tot de VN in het najaar van 1993 afstand van zijn 'assertief multilateralisme': “De Verenigde Staten kunnen zich eenvoudigweg niet met alle wereldconflicten bemoeien. Als de Amerikaanse bevolking ja zegt tegen 'peacekeeping', moeten de Verenigde Naties weten wanneer ze neen moeten zeggen.”

De vervolgens in mei 1994 gepubliceerde 'Clinton-doctrine' verkondigde onder meer dat de Verenigde Staten alleen VN-vredesoperaties zouden steunen als zij Amerikaanse belangen dienen, op voldoende middelen voor ondersteuning kunnen rekenen en realistische criteria hanteren voor het beëindigen van de operatie. De Amerikaanse weigering op te treden tegen de genocide in Rwanda vormde de eerste toepassing van deze doctrine.

Dat Clinton - zoals bekend - een politieke middenkoers vaart, blijkt ook uit het feit dat de defensieparagrafen in de verkiezingsprogramma's van de Democraten en de Republikeinen, op een enkele uitzondering na, weinig opzienbarende verschillen vertonen.

Teneinde zich toch op defensiegebied te profileren, hamert het Republikeinse verkiezingsprogramma op de “schandalige situatie” dat de Verenigde Staten geen verdediging hebben tegen een aanval met langeafstandsraketten. “Het gevaar van een raketaanval met nucleaire, chemische of biologische wapens”, aldus het programma, “is de meest serieuze dreiging voor onze nationale veiligheid.” De Republikeinen verwijten Clinton dan ook dat hij de plannen van Bush heeft doorkruist. Toenmalig minister van Defensie Les Aspin maakte namelijk in mei 1993 de formele beëindiging van het SDI-project bekend. Dit einde van het Star-Warstijdperk betekende ook het einde van het streven om antiraketwapens in de ruimte te brengen.

De SDI-organisatie werd omgedoopt in de Ballistic Missile Defense-organisatie (BMD), die zich vooral ging concentreren op het verbeteren van het verdedigen van raketten tegen tactische kernwapens. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie had de Golfoorlog namelijk geleerd dat de antirakettechnologie priorieit moest geven aan de verdediging tegen tactische ballistische raketten. Als onderdeel van een alomvattend contra-proliferatiebeleid bestaat het BMD-programma van Clinton uit twee hoofdelementen:

1) Het Theatre Missile Defensie (TMD)-programma is een samenwerkingsproject tussen de Verenigde Staten en hun bondgenoten. Het moet voorzien in bescherming tegen tactische ballistische raketten in regionale conflicten.

2) Het National Missile Defense (NMD)-project is bedoeld ter verdediging van het grondgebied van de Verenigde Staten tegen lange-afstandsraketten.

Clinton heeft wel geld beschikbaar gesteld voor TMD, maar wil de fondsen voor NMD vooralsnog beperken tot onderzoek en ontwikkeling. Daarbij houdt hij de optie open dat in 2002 begonnen wordt met de plaatsing van een NMD-site die in overeenstemming is met het ABM-verdrag. Een belangrijke overweging is dat de dreiging van lange-afstandsraketten pas over tien à vijftien jaar manifest wordt en dus voldoende waarschuwingstijd biedt voor tegenmaatregelen. De Republikeinen eisen echter dat al in 2003 op meerdere plaatsen NMD-sites ter bescherming van alle 50 staten zijn gestationeerd. Dit vereist echter ook onderhandelingen met Rusland over een amendering van het ABM-verdrag.

Tot op heden boekten de Republikeinen echter weinig succes met hun streven naar NMD. Eerder dit jaar strandden Republikeinse voorstellen voor NMD in de Senaat. En als verkiezingsitem krijgen de Republikeinen hiervoor ook weinig handen op elkaar. Want uit opiniepeilingen blijkt dat de Amerikaanse bevolking zich terecht veel meer zorgen maakt over de dreiging van terrorisme dan van ballistische raketten. Kortom, NMD als stemmentrekker is een zogeheten non-starter.